logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Bakkers in 's-Gravendeel

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 15, nr. 1, februari 2009

Het bakken van brood behoorde van oudsher tot de vele taken van de huisvrouw en op 't platteland is dat nog heel lang zo gebleven. Ook op het dorp heeft 't lang geduurd alvorens men aan 't idee gewend was, zijn brood in een winkel te kopen.

In 1680 was er in 's-Gravendeel nog maar één bakker. Die had zich daar in 1654 gevestigd en 't duurde zestig jaar voor hij concurrentie kreeg. Pas rond de eeuwwisseling van 1800 kwamen er meer bakkers en die vestigden zich ook in de "buitenwijken".

Voor zover valt na te gaan is Boudewijn Jans Backer (Wolff) de eerste geweest die in 's-Gravendeel zijn beroep maakte van het bakken van brood voor de verkoop. Hij kocht op 28 mei 1654 een huis aan de Noord Voorstraat, op 't 4e erf, gerekend vanaf de Zeedijk, en begon daar een bakkerij.

Helemaal zonder moeilijkheden ging 't kennelijk niet. Tweemaal moest hij geld lenen, in 1666 en 1669, beide keren met z'n huis als onderpand.

Hij was in 1658 kandidaat-kerkmeester. Zijn vrouw heette Lijsbeth Jans. Zijn twee zoons, Jan en Frans, hadden beiden een dochter van die naam. Boudewijn moet overleden zijn tussen 1676 en 1680.

De bakkerij werd voortgezet door zijn zoon Frans Boudewijns Wolff, die op 04 april 1689 het belendende pand aan de Noord Voorstraat op 't 5e erf erbij kocht. Hij was kerkmeester in 1683 en diaken in 1692. Zijn vrouw was Ariaantje Jorisse Schouten, lidmaat in 1706. Frans overleed in 1705 en Ariaantje in 1716.

Opvolger was Willem Mom, getrouwd met dochter Lijsbeth Fransse Wolff, lidmaat geworden in 1709. Uit dit huwelijk werden tussen 1720 en 1724 vier kindertjes begraven. Willem en Lijsbeth maakten op 21 juli 1717 hun testament en Lijsbeth overleed in 1724.

Willem hertrouwde met Barber van Raamsdonck, lidmaat geworden in 1723 met attestatie van de Zwaluwe. Uit dit huwelijk werden tussen 1726 en 1732 vier kindertjes begraven.

Barber was geen trouwe kerkgangster en ze werd daarom door de kerkenraad vermaand. In 1749 maakte het echtpaar ruzie, "tot slaans toe" met de kerkmeester Bastiaan Naaktgeboren!

Barber overleed in 1751 en Willem in 1757.

De zaak werd overgenomen door Jan Willems Mom, zoon uit 't eerste huwelijk van Willem. Jan moet al heel jong getrouwd zijn, maar de naam van zijn eerste vrouw wordt nergens genoemd. Zij overleed in 1745, nadat er tussen 1735 en 1745 vijf kindertjes uit dit huwelijk waren begraven.

Jan maakte een nieuwe start, werd lidmaat in 1749 en hertrouwde met Cornelia de Kreek, lidmaat geworden in 1745. Ook uit dit huwelijk werden nogal wat kindertjes begraven, maar liefst acht tussen 1752 en 1764. Dochter Antje bleef leven en werd in 1806 gecensureerd "wegens dronkenschap en mishandeling van haar eigen moeder"!

Jan Mom overleed in 1780 en Cornelia belastte de twee huizen aan de Noord Voorstraat hypothecair in 1784, 1788 en 1798. Zij overleed in 1808.
Opvolger was Pieter Hendriks de Vries, afkomstig van Bleskensgraaf en lidmaat geworden in 1785.

Hij was eerst getrouwd met Neeltje Mom (uit welk huwelijk 4 kinderen: Cornelia, Lena, Jannigje en Hendrik), maar die overleed nog voor haar moeder, namelijk in 1806. Pieter hertrouwde met Neeltje Maartens Boer.

Hij kreeg in 1796 een admissie als herbergier en tapper, was in 1808 diaken en mocht "voor de armen" bakken in 1794, 1809 en 1812.

Cors Rokusse Smits was geboren in 1679 als zoon van Rokus Maartens Smits (†1708) en Maria Corsse van Roon (†1716) Hij erfde van zijn ouders een huis aan de Noord Voorstraat op het 2e erf gerekend vanaf de Zeedijk, en begon daar een bakkerij.

Hij werd lidmaat in 1731, trouwde met Anna Ariens Goudriaan. Toen het paar op 13.10.1753 zijn testament maakte, waren er twee zoons (Rokus en Arie) en twee dochters (Maria en Woutje). Cors was kerkmeester in 1737. Hij overleed vermoedelijk in 1766, Anna in 1770.

Opvolger was zoon Rokus Corsse Smits, lidmaat geworden in 1754 en in 1760 getrouwd met Kommerijntje Ariens Stam, lidmaat geworden in 1755. Hij dacht aan de toekomst en kocht op 29 november 1776 ook nog maar een huis aan de Zuid Voorstraat op het 7e erf gerekend vanaf de Langestraat. Kommerijntje overleed in 1787 en Rokus in 1798.

Zoon Arie Rokusse Smits, lidmaat geworden in 1785 en in 1794 getrouwd met Anna de Quartel, lidmaat geworden in 1792, zette de zaak aan de Noord Voorstraat voort. Hij mocht in 1797, 1807 en 1811 "voor de armen" bakken. Dit laatste jaar kwam het er niet meer van, want in oktober 1809 werden huisraad en huizen uit hun insolvente boedel geveild. Hij had 't niet kunnen redden en ook al verkreeg hij in 1794 admissie voor de verkoop van koffie, thee en chocolade en in 1795 als vettewariër (verkoper van oliön en vetten) en als herbergier en tapper.

Zoon Christiaan Rokusse Smits, lidmaat geworden in 1796, ging bakken in de Zuid Voorstraat. Hij was kerkmeester in 1812 en werd in 1815 kandidaat gesteld voor diaken, maar die beroeping wees hij af, omdat hij "bereids met een lastpost gechargeerd was". In 1811 zat hij in de commissie tot regeling van het achterstallige predikantensalaris. Hij mocht in 1810 en 1813 "voor de armen" bakken.

N.B. Op het prentje in de Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver (1795), getekend door Anna Catharina Brouwer en gegraveerd door J. van Diepenhuijsen, is aan de gevel van het tweede huis aan de rechterkant een uithangbord te zien. Dat moet van de bakkerswinkel Arie Rokusse Smits zijn geweest.

Op 04 februari 1715 kocht de Mr. bakker Cornelis Arents van der Wulp een huis in de Langestraat, aan de noord-oostzijde, achter het huis op de hoek van de Langestraat en de Zuid Voorstraat. Die koop was kennelijk overhaast, want reeds op 08 mei 1715 kon hij een huis kopen aan de Zuid Voorstraat, op 't 10e erf gerekend vanaf de Langestraat. Het eerder genoemde huis werd op 28 april 1717 weer verkocht.

Cornelis was geboren in 1683 en trouwde in 1703 met Tanneke Cente Wardenier, geboren in 1682. Zij was lidmaat in 1714. De vestiging was wel een onderneming en voor alle zekerheid maakte het echtpaar zijn testament op 24 oktober 1715. Beiden waren gezond. Cornelis overleed in 1736 en Tanneke in 1750.

Opvolger was zoon Cent Cornelisse van der Wulp, geboren in 1717, aan wie Tanneke op 10 april 1742 de bakkerij in de Zuid Voorstraat getransporteerd had. Cent was getrouwd met Sijtje Dirks van Moerkerken, lidmaat geworden in 1738. Uit het huwelijk werden tussen 1744 en 1750 vijf kindertjes begraven.

Helemaal onbegrijpelijk is 't niet dat zij zich aan de drank te buiten ging "en daarvoor vermaand" moest worden. Op 10 januari 1751 maakten Cent en Sijtje hun testament. Zij waren toen beiden ziek. Sijtje overleed in 1751.

Op 04 januari 1753 werd bij executie het huis in de Zuid Voorstraat van Cent van der Wulp "gewezen bakker" verkocht aan Gijsbert van Brakel. Cent verdween schijnbaar spoorloos, maar op 03 november 1757 werd door hem een machtiging afgegeven in verband met een erfeniskwestie. Hij was toen Mr. Bakker te "Neusen" (=de oude naam voor Terneuzen).

Kennelijk werd de bakkerij door Cent gedreven samen met z'n zwager Markus Koning, getrouwd met Ariaantje Cornelisse van der Wulp. Uit dit huwelijk werden in 1751 en 1753 twee kindertjes begraven. Markus had in 1754 zijn admissie als bakker gekregen.

De verdere geschiedenis is "geheimzinnig". Van Markus ontbreekt elk spoor. Ariaantje kreeg in 1764 admissie voor de verkoop van koffie, thee en azijn. Zij was toen weduwe. Haar man komt in 't doodboek niet voor en is dus waarschijnlijk niet te 's-Gravendeel begraven.

Ariaantje werd in 1774 lidmaat en vertrok in 1791 naar Brouwershaven.

Alle ingrediënten voor een drama zijn aanwezig: de drankzucht van Sijtje, de gerechtelijke verkoop van het huis in de Zuid Voorstraat, het verblijf buitenslands (?) van Cent, de spoorloze verdwijning van Markus en ten slotte de "late bekering" van Ariaantje en haar "emigratie" naar elders. 't Zou mij niet verbazen als het archief van de Hoge Vierschaar van Strijen meer licht op deze geschiedenis kon werpen.

In 1786 werd Pieter Schotsman lidmaat te 's-Gravendeel. Hij was afkomstig van Steenderen. Hij was bakker en mocht "voor de armen" bakken in 1796, 1811 en 1814. Hij woonde in 1791 aan de Havendijk.

Arie de Kreek werd lidmaat in 1798. Hij was bakker, maar verzekerde zich ook van een admissie als vettewariër, als herbergier en tapper en voor de verkoop van koffie, thee en chocolade. Hij was kerkmeester in 1805, diaken in 1810 en hij mocht in 1815, "voor de armen" bakken. Hij kocht op 13 augustus 1803 een huis aan de Havendijk bij 't Veer en op 07 juni 1804 nog een huis bij de Wacht.

Op 18 mei 1805 kocht Gijsbert Cornelisse Batenburg van Teunis Kooiman een huis aan de Schenkeldijk. Hij had een acte van indemniteit meegebracht van Charlois en vestigde zich als bakker. Voor alle zekerheid voorzag hij zich ook van vergunningen voor de verkoop van koffie, thee, chocolade, zout en zeep en van een admissie als herbergier en tapper.

Hij trouwde met Pieternella Bastiaans van der Burght, geboren in 1784. Op 26 november 1806 zat hij financieel krap en leende geld met als onderpand zijn huis en bakkersgereedschap.

Hij redde 't niet, vroeg in 1809 zijn acte van indemniteit terug en vertrok met zijn vrouw en twee kleine kindertjes naar Maasdam.
Op 29 september 1810 verkochten de curatoren in de insolvente boedel van Gijsbert Batenburg, broodbakker te Maasdam, het huis aan de Schenkeldijk aan Bastiaan de Kreek.

Jan Johannesse Pluimert werd te 's-Gravendeel lidmaat in 1806, met attestatie van Strijen. Hij trouwde met Anna Cornelisse van Bommel, lidmaat geworden in 1807, met attestatie van Heinenoord.

Jan kocht een huis aan de zuidzijde van de Rijkestraat, op het 2e erf, gerekend vanaf de Langestraat, en begon daar een bakkerij.

Tussen 1807 en 1811 werden drie kinderen van Jan begraven. In 1809 overleed Anna. Jan was een oppassend man. In 1808 en 1810 mocht hij "voor de armen" bakken en in 1811 kreeg hij een vaste plaats in de kerk.

Dr. D.W. Gravendeel

Bronnen: Rechterlijk en notarieel archief; Acta Kerkenraad; Begraafboek.