logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

De brand van 20 juli 1825

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 6, nr. 4, november 2000

Het was half twee. 's Gravendeel lag in diepe rust. Het was prachtig zomerweer. Een kwartier tevoren hadden de 's-Gravendelenaren hun schout per koets zien vertrekken. Hij ging op weg naar Mijnsheerenland, via de Molendijk, want de Smidsweg was maar een zandpad, slecht begaanbaar. De Kreek zag er vreemd en kaal uit. Het water was eruit gepompt, omdat er werkzaamheden aan de bodem en oevers moesten worden verricht. De sluis tussen de haven en de Kreek was gesloten en er was een dam aan beide zijden van de kreek gemaakt om indringen van water te voorkomen.

Aan de Kreek lagen verschillende kleine winkeltjes, waaronder de bakkerswinkel van Anthony van der Waal, die aan de Noord Voorstraat stond op de plaats waar zich nu de bloemisterij van Van der Sar bevindt. Bakker Anthony van der Waal had 's morgens al vroeg zijn brood gebakken en was om 11.00u samen met zijn buurman, de timmerman Jan Reijerkerk, naar Wieldrecht gegaan, waar deze een huis aan het bouwen was. Reijerkerk kon wel een handje gebruiken en Van der Waal een extra zakcentje. Vrouw van der Waal verliet haar huis om boodschappen te doen en zag daarom niet dat er aan de achterzijde van haar huis, bij de makelaar van de schuur, een begin van brand was ontstaan. Wie de brand het eerst zag, is niet bekend. Wellicht was het vrouw Van der Waal, die terugkomend haar huis zag branden. Of het was een buurtbewoner of een voorbijganger. In ieder geval, de brand werd ontdekt.

Tekening van de dorpsbrand van 1825 in 's-Gravendeel

 

Ik denk dat het eerste wat er gebeurde was, dat schoolmeester Jan van Harthals op de hoogte werd gebracht. Hij was namelijk verantwoordelijk voor het luiden van de beide kerkklokken en nu moest de noodbel geluid worden. De schoolkinderen waren vrij, het was woensdagmiddag. Meester Jan ging via het "klokkeluierspaadje" naar de kerktoren en begon de grote klok te luiden. Daarmee werden alle mannen in de omtrek gewaarschuwd dat zij zo snel mogelijk naar het dorp moesten komen om te helpen met het bedienen van de beide brandspuiten.

De brandmeester van de eerste spuit, Pieter Naaktgeboren, was in de Louizapolder aan het werk. Hij hoorde de klok niet en was trouwens te ver weg om zijn taak te kunnen vervullen. Daarom moest zijn vervanger, Leendert van Prooijen, de manschappen van spuit één bijeenroepen. De manschappen van de tweede spuit werden door Christiaan Smits bij elkaar geroepen. Hij was wel niet de brandmeester, maar zijn baas bevond zich in Strijen, en iemand moest toch het heft in handen nemen. De twee brandspuiten werden in allerijl uit het brandspuithuisje aan het Stee gehaald, de brandslangen werden uit de kerktoren gehaald, die daar te drogen hingen en toen kon het blussen beginnen.

Nee, het blussen kon niet beginnen. Er was namelijk geen water. De Kreek stond droog. In allerijl werd de sluis tussen de haven en de Kreek opengezet en werden de dammen afgebroken. Er werd niemand om toestemming gevraagd, dat kon niet, de burgemeester was afwezig en het polderbestuur zetelde niet in 's-Gravendeel. Het water liep weliswaar uit de haven de Kreek in, maar zo tergend langzaam dat de brandweerlieden zich opaten van ergernis. Ze hadden pech: het was eb en daardoor was er in de haven niet veel water.

Het waaide behoorlijk. Het vuur sloeg over naar het naburig huis en verder en verder. Omdat er nog steeds niet geblust kon worden, sloeg de brand zelfs van de Noord Voorstaat over de waterloze Kreek naar de Zuid Voorstraat. Daar woonde Christiaan Smits. Hij stond daar maar met een niet-werkende spuit, terwijl aan de overzijde zijn huis in brand stond. Hij rende naar zijn woning om daar te redden wat er te redden viel. Eerst levende have en daarna zo mogelijk nog wat meubels of inventarisstukken. De andere brandweermannen begonnen ook maar met van alles uit de brandende woningen te halen. Ze konden toch nog niet blussen. En de brand breidde zich uit...

 

Na verloop van tijd stond er eindelijk voldoende water in de Kreek en kon er met de bluswerkzaamheden begonnen worden. Tot ver in de omtrek was de brand te zien. Alle 's-Gravendelenaren die op het land in de omgeving aan het werk waren, repten zich om te komen helpen. De wind draaide en daardoor sloeg het vuur over naar de huizen van de Kerkstraat en de Langestraat. Drie brandspuiten kwamen uit Dordrecht met de veerpont overvaren en één spuit kwam uit Puttershoek. Ze kwamen om drie uur aan. Dat was wel wat laat, maar toen ze er waren, was er tenminste water om te blussen. Maar er was geen beginnen meer aan. Alle huizen en de schuren van de Noord Voorstraat stonden te branden, die van de Zuid Voorstraat brandden ook; enkele gebouwen in de Kerkstraat brandden; de Langestraat, de Rijkestraat, zelfs een boerderij aan het Weegje brandde. Waar moesten ze beginnen?

Ze reden de brandspuiten naar de Kerkstraat en probeerden te voorkomen dat er nog meer gebouwen in brand zouden vliegen, de school bijvoorbeeld, of de kerk. Steeds als er een vlam naar de kerk oversloeg, slaagden de mannen erin die vlam te doven.

Een oude brandspuit

 

Doordat er zoveel schuren met vlas in 's-Gravendeel waren, en zoveel gebouwen met rieten daken, vond het vuur steeds opnieuw voedingsbodems om verder te gaan. De brandspuit uit Strijen kwam erbij. Er kwamen nog drie brandspuiten uit Dordrecht, waaronder de eigen brandspuit van de heer Vrijthof, magistraat te Dordrecht. Op vele plaatsen konden de spuiten ingezet worden. In die tijd was een brandspuit nog erg arbeidsintensief; er waren zes tot acht mannen nodig om de hefboom te bedienen waarmee het water kon worden opgepompt. Er was immers nog geen elektriciteit, alles ging nog met mankracht. De sekretaris van een van de brandspuiten heette Nicolaas van der Salm. Hij behoorde tot de mensen die de brand ontdekten, maar omdat hij slechts vijf huizen van de brand verwijderd woonde, is hij meteen begonnen zijn eigen huis en haard te redden. Dat huis heeft de brand dan ook doorstaan. En staat nu op de monumentenlijst als zijnde een van de oudste huizen van dit dorp.

Toen het avond werd, waren er overal rokende puinhopen te zien. De twee 's-Gravendeelse heelmeesters, Marinus van Iperen die aan de ene kant van de Zuid Voorstraat woonde en Willem van Kooten, die aan de andere kant van dezelfde straat woonde, hadden ook hun woningen zien branden, maar die waren toch nog allebei te redden. Zij kregen enkele gewonden om te verbinden, maar het geheel viel mee. Doden waren er niet te betreuren. Om tien uur 's avonds was de brand nog niet bedwongen. De schade werd opgenomen: de Noord Voorstraat was op 3 huizen na platgebrand, de Zuid Voorstraat ook op drie huizen na, de zuidzijde van de Rijkestraat op één huis na, de noordzijde van de Rijkestraat op acht huizen na, de hele Langestraat, de Korte Kerkstraat op drie huizen na, vijf woningen aan het einde van de Langestraat langs de Strijensedijk en een boerenwoning in het Weegje was verbrand. Samen waren er 70 woningen vernietigd, waarvan niet meer dan puinhopen restten. 116 Huishoudens waren beroofd van hun woning en bijna al hun bezittingen. In totaal werden 535 mensen dakloos.

Schout Elshoff schrok toen hij in het dorp terug kwam. Hij was meteen gekomen toen hij van de brand hoorde, maar helpen kon hij niet meer, alleen brieven schrijven. Zijn eerste brief was naar de commandant van politie te Dordrecht met het verzoek om hulp. Een eenheid politiemensen kwam om het dorp te bewaken en plunderingen te voorkomen. Elshoff schreef brieven aan de gouverneur en de rechtercommissaris, de kranten en de collega-burgemeesters om hen te vragen financiële hulp aan zijn getroffen gemeente te bieden. Hij schreef: "Gode zij dank zijn mijn 535 daklozen gemeenteleden allen onder dak, dankzij de herbergzaamheid in deze gemeente."

De gemeente 's-Gravendeel had 2373 inwoners, dus was bijna een kwart daarvan dakloos geworden. De schade aan gebouwen en eigendommen was enorm en slechts 30% ervan was verzekerd.

W.vV-G

Bronnen: brievenboek van schout Elshoff, Kreekkrant over de brand, de Dordrechtsche Courant; toespraak van L. Visser in 1925.