logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Eigen teelt tabak in oorlogsjaren

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 13, nr. 2, mei 2007

"Hotsjek, hotsjek, eigenteelt is rotshag"

Bovenstaande titel, ik meen een lied van de Wama's, illustreerde eigenlijk alles. Maar och, ook hier was het zo: “Wie (aan roken) hangt, die verlangt.”

Hoe begon het? Nadat het Herrenvolk ons overspoeld had, kwam er aan alles gebrek. Dus ook aan rookartikelen. Er kwam ook voor rookwaar distributie. Het sigarettenmerk op de bonnen was ‘Consi'. Er was ook surrogaat, evenals trouwens koffie en thee, en dat waren ‘Blazertjes'. Een bruine sigaret met een zeer twijfelachtige vulling.

Er was later ook nog een zijspoor, dat was de Belgische shag.

Ik moest dat voor de “grote mensen” wel eens halen bij de familie Katoen aan de Strijensedijk. De kwaliteit was niet vooroorlogs, zeiden de kenners; het was waarschijnlijk naast zwarte handel ook nog smokkelwaar. Het kostte ongeveer 6 gulden per pakje van 50 gram. Er waren mensen die samen in een pakje investeerden, dat drukte de kosten.

Maar al vrij snel kwam de selfsupporting op gang. Het heette ‘eigen-teelt'. Waar het zaad of de plantjes vandaan kwamen was niet te achterhalen. Maar het zaad voor de manshoge tabaksplanten is ook nu nog te koop (Vreeken's zaden Dordrecht). Er is ook zaad voor siertabak en die is natuurlijk oneindig veel gezonder dan, nou ja…

In de jaren zeventig waren we op vakantie in de Dordogne (Frankrijk). Daar was toen, een dag voor onze aankomst, al het blad van de tabaksplanten gehageld. In Frankrijk heeft men nog steeds een soort inlandse sigaret: Gouloise. Het meest kenmerkende is de stank. Ook in de Balkanlanden kan men soms nog een agrariër tegen komen met een ezel die afgeladen is met tabaksbladeren.

Maar nu onze eigen teelt.

Er mocht geen landbouwgrond voor worden onttrokken, maar verder was het legaal. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld oliepersen, zelf tarwe maken en nog meer van die CCD (Crisis Controle Dienst; red.)-zonden. In veel volkstuinen was een hoekje gereserveerd voor de tabaksteelt. Zelfs de in Dordrecht wonende meester Beukelman had bij een bevriende relatie aan de Boendersweg een stukje tuin met onder andere tabaksplanten.

Tabak behoort tot het botanische geslacht Nicotiana en is familie van de nachtschade. Van de planten waren er twee soorten, de zware Amersfoortse en de wat lichtere Virginia. De planten lijken ongeveer op zonnebloemplanten. Het onderste blad, het zogenaamde zandblad, werd vanzelf bruin. Dat werd dan door ons, aankomende rokers, fijn gesneden en met een soort vloeitje tot sigaret verheven. Bepaald geen traktatie, maar je wilde erbij horen.

Maar de hogere en vrij grote bladeren werden geoogst en zorgvuldig gedroogd.

Daarna kwam het moeilijkste gedeelte. De bladeren moesten gefermenteerd worden. Dat was een soort gereguleerd broeiproces. De verhalen over de manier waarop, doen de bejaarde oogjes soms nu nog glimmen. De informatie is nogal divers. Een van de informanten vertelde: “Wij – hij bedoelde mijn vader en ik – hadden een grote kist en daar ging een laagje hooi in. Daarop een laag tabaksbladeren met ook nog een bepaalde vloeistof. Welke vloeistof is onbekend. Zo wisselde dat om en om. Het geheel werd 4 tot 7 maal omgezet, dat wil zeggen er uitgehaald om te luchten . De temperatuur mocht niet te hoog worden, ongeveer 50°. Want anders werd het schimmelen of rotten en dit duurde zo tot de temperatuur niet meer opliep.” Nog twee voor fermentatie geschikte plaatsen die werden genoemd, waren de koeienstal en zelfs een mesthoop.

Na al deze handelingen moesten de bladeren nogmaals worden gedroogd en waren ze gereed voor “productie”. De bladeren werden ook wel ongefermenteerd verkocht of deden dienst als ruilhandel. Prijzen hiervan waren niet meer te achterhalen.

Met verschillende listig verzonnen apparaten werd er van de bladeren shag gesneden. Eerst werd de hoofdnerf eruit getrokken. Dan werden wat stevig opgerolde bladeren door een taps toelopende buis geperst. Aan de nauwe zijde werd er dan voorzichtig shag van gesneden. De bladeren konden ook worden opgestuurd om er sigaretten van te laten maken, zogenaamde ‘amateurtjes'.

De nerven van de bladeren vonden de liefhebbers bijzonder geschikt als pruimtabak.

De verkregen shag was meer groen dan bruin en het was naast het privé-gebruik, ondanks de kwaliteit, ook een handelsartikel. Voor ongeveer 7,50 gulden per puntzak van 50 gram kon je er weer tegen.

Het vloeipapier was ook steeds moeilijker te koop. Men haalde ook wel de vulling uit een surrogaat sigaret, en vulde het verkregen hulsje met eigenteelt. Er werd ook van dat vloeipapier gebruikt dat tussen de bladeren van de zogenaamde schoolatlas zat. En als laatste vermelden we, met enige schroom, het gebruik van die lekkere dunne blaadjes uit een psalmbijbeltje.

Na de bevrijding kregen we rookwaar van de Canadezen. Maar die hadden het al vrij snel over “No smoke for pappie.” Sommigen hadden waarschijnlijk ook met hun sigaretten iets anders “in den zin”, want een overbekend jongensversje luidde:

”Een meid die met de Canadezen vrijt
Die is niet beter dan een moffenmeid,
Een pakje sigaretten en een reep chocola
En het is voor mekaar.”

Maar de distributie kwam langzaam op gang. Een sigarettenmerk uit die tijd heette: Rodesia. Vindingrijke lieden ontdekten in deze merknaam een afkorting van ‘De Regering Ontdekte Deze Ellendige Stinkstokken In Amerika' (Rhodesië ligt toch in Afrika?). Signaleren wij uit het voorgaande toch enige weemoed naar de vertrouwde lucht van de eigenteelt?

De eerste shag op de bon heette geloof ik Pax, dat is Latijn voor vrede. De mannen kregen een hele bonkaart, dat wil zeggen een pakje shag of twee pakjes sigaretten per week. Er was ook een dameskaart; die gaf recht op een half rantsoen tabak en een half rantsoen snoep. Deze laatste mogelijkheid was vooral favoriet bij de zonen beneden de 18 jaar. Ook wij hebben dankbaar gebruik gemaakt van zo'n dameskaart, tot aan het einde van de veertiger jaren de distributie werd opgeheven. De sigaretten werden wat eerder vrijgegeven.

De eigenteelt was niet meer belangrijk. Hoewel, als de prijs van rookwaar blijft stijgen!

Met wat verfijnde kennis en technieken is er best wat van te maken. Op internet is er veel informatie voorhanden, zowel van de eigenteelt als van de professionele verwerking. Zelfs staat er dat een elke bolknak in Havanna door vrouwen op het bovenbeen moet worden gerold. Maar dan wel met een doek over dat been. Ook nu weer: niet te geloven.

's-Gravendeel - Dordrecht voorjaar 2007
C. en A. den Boer (twee voormalige toeback-suygers)