logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Emigratie naar Canada

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 7, nr. 4, november 2001

Verteld door mevrouw Riek Visser-van der Kolk op 12 september 2001

Na de oorlog begonnen veel Nederlanders zich zorgen te maken dat Nederland te vol zou worden. Vooral landbouwers waren bang dat er voor hun zonen geen ruimte meer over zou zijn om te boeren. De Canadese Emigratiecentrale speelde daarop in en hield o.a. in Dordrecht voorlichtingsavonden, waarin verteld en uitgelegd werd waarom Canada hèt ideale land was voor boeren die toekomst zochten.
Mijn man, toen nog mijn verloofde, wilde ook wel eens horen wat er gezegd werd. Ik ging natuurlijk mee. Maar ik wist al gauw dat het niks voor mij was.

Mijn zwager Arie Visser, die getrouwd was met de Strijense Corrie van de Griend, een boerendochter, zag er echter wel wat in. Hij had twee zonen en was bang dat die nooit op een eigen boerderij zouden kunnen komen. Mijn schoonzuster Corrie Visser, die trouwde met de bakkerszoon Wim van de Flier uit Barneveld, die ook boer wilde worden, was ook heel enthousiast. Wim had in Barneveld als fietsende broodbezorger steeds jaloers naar al die kippenboeren zitten kijken en gedacht: "Ik wou dat zo'n baan voor mij weggelegd was".

Er waren er meer die de voorlichtingsavonden bezochten. Adriaan Vogelaar, die destijds woonde in het huis waar burgemeester Salet laatst heeft gewoond, bijvoorbeeld, en ook Arie Visser. Ik bedoel mijn zwager niet, maar een andere Arie, die ook bekend is als Aai van Gijze.
Toen Adriaan Vogelaar als een van de eersten naar Canada vertrok, ging ook Aai's dochter Adrie mee. Ze was nog heel jong, en iedereen zei tegen Aai: "Dat je haar laat gaan!" Hij antwoordde dan: "Ik ga straks zelf ook, zij kan alvast wat verkennen". Helaas kreeg hij geen toestemming om te gaan, want de toelatingseisen waren heel zwaar: gehandicapte kinderen werden niet toegelaten. Aai's zoon Adriaan heeft namelijk op anderhalf-jarige leeftijd hersenvliesontsteking gekregen en is als gevolg daarvan gehandicapt. Daarom is Aai in Nederland gebleven. Zijn zoon Bert en dochter Nel, die met Herman Kranendonk van de Boendersweg is getrouwd, zijn wel vertrokken.

Mijn zwager Arie ook, met vrouw en twee kleine kinderen: Melis en Janus, 22 en 2 jaar oud. Zij vertrokken nog eerder dan Adriaan Vogelaar.
Ze hadden zich goed voorbereid. Er was gezegd: "Je mag geen geld in Canada invoeren, wel goederen." Daarom maakte hij al zijn eigendommen te gelde (wij namen bijvoorbeeld zijn kippen over) en kocht een dure tractor om mee te nemen en veel gereedschappen. Voor zijn vrouw veel lappen stof, breiwol en katoen. Het betekende wel dat hij eigenlijk berooid in Canada aankwam. Hij had immers geen geld.
De gereedschappen die hij gekocht had, bleken in Canada ook niet zo praktisch te zijn en de tractor was van een ander type dan daar gebruikt werd, dus moest hij die laten ombouwen.

Met andere woorden: de voorlichting was niet helemaal adequaat. Als ze hun geld in Nederland op de bank hadden laten staan, hadden ze dat later altijd nog kunnen gebruiken. Nu hadden ze niets meer. Hun toekomstige woning stond klaar in het boerendorpje Lethbridge in Alberta. Het was een houten arbeidershuisje dat behoorde aan een boer van Nederlandse afkomst bij wie Arie meteen werk had gevonden. Ze verhuisden eind september, begin oktober 1949 en dat betekende dat het einde van het jaar al aardig naderde. En dat houten huisje was niet geïsoleerd. Nou, dat hebben ze geweten, want die Canadese winters zijn me toch koud! Als het gesneeuwd had, kon er zo'n berg sneeuw voor de deur liggen, dat je eerst een tijd moest graven voor de deur vrij kwam.

Hij zei later wel eens: "Als het toen had gekund, was ik op mijn knieën naar 's-Gravendeel teruggekropen". Later, toen het hem goed ging, zou hij dat niet meer zeggen. Het was maar een klein huisje en omdat mijn zwager zoveel goederen had verstuurd naar Canada, die verpakt waren in kisten, had hij, dank zij die kisten, hout genoeg om een stuk aan het huisje te bouwen. Hij bouwde een keuken erbij en een stuk aan de kamer.
Toen de kinderen de leerplichtige leeftijd kregen, gingen ze met een schoolbus naar school. Op de zondagen gingen ze naar de kerk. De boer ging met paard en wagen en ze mochten meerijden.

De kerk was echt het sociale middelpunt van de grote plattelandsgemeenschap. Van alle kanten kwamen de mensen ter kerke en na de dienst bleef ieder nog een tijd napraten op het plein, of als het koud was, binnen de kerkdeuren. En er was altijd veel te vertellen, want dit was hèt moment voor de voormalige Nederlanders om weer eens bij te praten. De kerkdiensten waren vaak ook in het Hollands en dat was heel prettig.

 

In 1953 kregen ze te horen dat er in Nederland een grote ramp was gebeurd. Ze wisten niet beter dan dat wij allemaal verdronken waren in de watersnood. De Nederlandse gemeenschap had het er moeilijk mee. Maar onder elkaar konden ze hun zorgen kwijt. De verbindingen waren slecht en het duurde wel een tijdje voor ze begrepen dat we allemaal nog leefden. Dat was voor hen een hele opluchting.

Iemand die vijf jaar in Canada woonde, kon de Canadese nationaliteit aanvragen. Dan werd gekeken of je financieel onafhankelijk was en of je goed genoeg was ingeburgerd. Dus toen zwager Arie na vijf jaar Canadees werd, kreeg hij de mogelijkheid om een hypotheek bij de bank te nemen. Er was een boerderijtje te koop en hij kon op eigen benen staan. Hij had inmiddels nog een paar kinderen gekregen en zijn oudsten konden ook al een beetje helpen. Vrouw Corrie werd kippenhoudster. De kippenafdeling werd haar domein, waarmee het verkopen van eieren.
De koeien en het landwerk was de afdeling van Arie en omdat hij klein begon en dank zij zijn zonen werkvolk uit kon sparen, ging het hem jaar op jaar beter.

Maar toen werd Corrie ziek. Ze had een ongeneeslijke nieraandoening en ze zou er spoedig aan sterven. De arts vroeg haar welke wens ze had. Misschien was er iets dat ze nog eens wilde doen. Ze zei: "Het liefst zou ik nog een keer al mijn familie in Nederland zien". De dokter zei het tegen Arie. Die verkocht zijn boerderij met alles wat erbij was en reisde met zijn hele gezin naar Nederland. Zijn broers, die op de hoogte waren gesteld, hadden voor een huisje aan de Mookhoek gezorgd. (Dat huisje is nu afgebroken ten behoeve van de spoorlijn van de TGV) en Arie kon direct weer op het familiebedrijf, de vlasserij aan de Molendijk, gaan werken. De kinderen konden naar de school aan de Langestraat, dus alles was geregeld.

En zo kwamen ze terug. Ze bezochten de familie, maar Corrie was heel erg ziek en al heel spoedig overleed ze. Daar zat Arie toen met zes kinderen in de Mookhoek in een huisje. De kinderen kwamen tussen de middag bij familie eten. Ze hadden een lunchpakket bij zich, herinner ik me. Tineke kwam bij mij en Janus bij zijn tante Aria en ome Jan Visser. Op school hadden ze geen problemen, ze waren gewoon tweetalig opgevoed en konden meteen weer instappen. Een zus van Corrie en ik maakten op vrijdag hun huis schoon. Ik nam dan meteen de was mee om die samen met mijn eigen was te doen. De kinderen gingen bij mij op vrijdag in bad. Wij familie hielpen waar het kon.

We waren echter wel blij, toen Arie per advertentie een huishoudster ging zoeken en er een ongetrouwde vrouw uit Schoonhoven solliciteerde. Er kwam weer vastigheid in dat gezin. Binnen een jaar trouwde Arie met zijn huishoudster en ging met zijn gezin terug naar Canada.
Hij kwam daarna nog dikwijls voor een paar maanden naar 's-Gravendeel en zei dan: "Ik heb nu twee vaderlanden, want het andere land blijft altijd trekken." Hij was zijn thuisgevoel kwijt. De kinderen gingen ook graag terug naar Canada.

En als je nou vraagt of Arie zijn doel heeft bereikt: voor al zijn zonen (dat zijn er vijf) een boerderij bezorgen, dan zeg ik: "nee". Want geen van zijn zoons is boer geworden. Dat wil zeggen, nu, want zijn jongste zoon Arie is wel een tijdje boer geweest, maar vanwege reuma moest hij ermee stoppen. En nu is er van Arie's gezin niemand op een boerderij terechtgekomen: Melis is leraar op een technische school, Janus, die nu John heet, is architect, Tineke werkt bij Mac Donald, Henry is chauffeur op een tankauto en Jan werkt bij broer John op het architectenbureau.
Dus om nou te zeggen: het doel is bereikt? Die beroepen hadden ze in Nederland ook kunnen hebben natuurlijk.

Maar ze komen niet terug. Ze zijn nu echt helemaal Canadezen. De jongens spreken het Nederlands al nauwelijks meer. Tineke nog wel, zij komt nog vaak in Nederland. Ze kan het Nederlands niet schrijven, maar wel praten. Ze heeft, net als haar moeder, een nierziekte. Ze moest aanvankelijk drie maal per week aan de nierdialyse. Dat moest ook als ze in Nederland was. Dan ging ze drie maal per week naar Refaja om gespoeld te worden. En toen de dialyseafdeling in Refaja een keer helemaal vol zat, moest ze uitwijken naar een medisch centrum bij Port Zeelande om gespoeld te worden. Want als je een nierpatiënt bent, hangt je leven van het dialyseapparaat af. Ze heeft nu pas een niertransplantatie ondergaan. Dat heeft ook wel wat problemen gegeven, maar het gaat nu aardig met haar. Ik zei haar: "Kom toch in 's-Gravendeel wonen", maar ze zei: "Dat kan niet tante Riek, ik heb mijn man en kinderen in Canada wonen". Maar afscheid nemen vindt ze nog altijd moeilijk.

Ook de tweede vrouw van Arie wilde na de dood van Arie niet repatriëren. Haar stiefkinderen zijn als haar eigen geworden en ze kan niet van hen en 'haar' kleinkinderen scheiden.

WvV-G