logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Het verdwenen geld

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 14, nr. 3, augustus 2008

Een waar gebeurd verhaal uit het jaar 1765.

Op 20 november 1765 bezocht deurwaarder Cornelis van Bergen diverse 's-Gravendelers om hun schulden te incasseren. Van Bergen had zijn boekhouder Willem van Elst bij zich. Uit voorzorg hadden de twee mannen een hond meegenomen. Als je om geld komt, kun je beter wat schrik aanjagen. Van Bergen had een zakje bij zich waar hij steeds heel zorgvuldig het geïnde geld in opborg.

Een van de mensen bij wie ze aan de deur kwamen was de 's-Gravendeler Teunis Noteboom. De komst was aangekondigd en daarom was Teunis voorbereid. Hij overhandigde het bedrag dat hij verschuldigd was aan Van Bergen. Deze stopte dat geld in het zakje en dat zakje stopte hij, terwijl hij het huis verliet, in zijn linker jaszak. Inmiddels zat er in het zakje 63 gulden, 11 stuivers en 12 centen.

Op het moment dat de twee heren de deur van Teunis uitkwamen, werden ze aangesproken door Jan de Minjer, een 's-Gravendeelse man die aan de Beneden Havendijk woonde. Jan wilde die vreemdelingen een echt 's-Gravendeels tafereel laten zien, namelijk een dronken kerel met een gat in zijn kop.
De twee heren keken elkaar aan met het doel om het aanbod af te wijzen. Maar hun ogen glinsterden en daarom besloten ze de tijd te nemen om naar die dronken kerel te gaan kijken.

Ze liepen achter Jan de Minjer aan naar het huis van Jan van Seventer. De hond bleef buiten terwijl de mannen het huis in gingen. "Kijkt u heren, hier ziet u waar ik u van vertelde. Gaat u zitten."

Jan van Seventer zat lallend op de grond in de hoek van de kamer bij de haard. De deurwaarder zocht een stoel bij het vuur en ging daarop zitten. Jan de Minjer pakte een andere stoel en zette die links van de heer Van Bergen neer. Willem van Elst, de boekhouder, mompelde iets van: "Even mijn water verzorgen en de hond is er ook nog." Hij ging de achterdeur uit.

Even later kwam hij weer binnen en vroeg de deurwaarder om twaalf gulden uit het zakje opdat hij zijn reis kon betalen. "Natuurlijk," zei de heer Van Bergen en tastte naar het geldzakje in zijn linker jaszak. Hij voelde. Nog een keer. Hij trok de voering van de zak naar buiten. Er zat niks in. Hij voelde voor alle zekerheid ook in zijn rechter zak. Ook niks. Hij keerde en keerde zijn zakken, maar nergens was het zakje met geld.

"Wat grijns jij daar?" beet Van Bergen Jan de Minjer toe, die naar de deur toe liep. "Heb jij het geld uit mijn zak gepakt?"
"Nee, natuurlijk niet," zei Jan de Minjer, "hoe zou ik dat hebben kunnen doen?"
De twee heren besloten terug te keren naar het huis van Teunis Noteboom; misschien dat ze het geld bij diens huis verloren waren.
Tevergeefs.

De twee heren namen hun intrek in het Veerhuis. De hond kreeg een plekje in de stal en de heren namen een kamer. Het rijtuig en het paard werden verzorgd.

De volgende dag wilden de twee heren het adres van Jan de Minjer weten. Omdat ze niet wisten wat de naam was van die man, gingen ze eerst naar het huis van de man die ze de vorige dag dronken hadden gezien, namelijk Jan van Seventer. Die ging mee om het huis van Jan de Minjer aan te wijzen.

Ze bonkten luidruchtig op de deur van Jan en toen die de deur opende, zei hij: "Heren, wat hebt u er voor over als het geld terecht komt. Misschien is het u niet bekend, maar ik ben een super speurder." De heren overlegden met elkaar en Van Bergen bood twee dukaten, dat was omgerekend vijf gulden.
"Goed," zei Jan de Minjer, "dan ga ik nu zoeken."
"Daar komt niks van in," zei de deurwaarder, "ik blijf bij je."
"Nergens voor nodig," zei Jan de Minjer, "wacht maar rustig in het veerhuis tot ik terug kom. Vervoorn heeft wel wat te drinken."

Terwijl de heren richting veer gingen, ging Jan de Minjer, vergezeld van Jan van Seventer, naar het huis van Teunis Noteboom. Het dochtertje van Noteboom deed open en Jan vroeg haar naar haar vader. Die bleek in de schuur te zijn. Jan vroeg of ze haar vader wilde roepen.

Een kwartiertje later kwam Noteboom het veerhuis binnen. Hij was helemaal in de war. "Kom alstublieft mee, er is een schelmenstuk geschied. Kom nou maar."
De heren gingen mee en kwamen terecht in een enorme ruzie tussen de vrouw van Noteboom en Jan de Minjer. Zij harrewarden over een stuk worst dat Jan van de zolder van een haak zou hebben afgehaald.

De heren keken eens de kamer rond en zagen op de schoorsteenmantel het zakje geld liggen.
"Daar ligt ons geld," zei Van Bergen. Hij liep er naar toe.
"Noteboom, heb jij dat geld weggenomen?"
"Ben je nou helemaal van lotje getikt," brieste de vrouw van Teunis, "Ik heb vanmorgen nog stof afgenomen op de schoorsteenmantel en toen lag er nog niks."
"Denk jij dat de kaboutertjes dat hebben gedaan dan."
"Nou, ik heb niemand iets zien neerzetten hoor," wakkerde Jan van Seventer het vuurtje nog aan.

Het zakje werd gepakt en leeggeschud. Er zat nog precies het bedrag in dat de heren kwijt waren.
Gelukkig.
"En nu mijn beloning," zei Jan de Minjer, "ik heb recht op twee dukaten."
Hij had pech, de heren hadden immers hun hond bij zich.
Jan maakte dat hij weg kwam.

Bron: Nico van der Wulp