logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Het was zomaar een Duitse soldaat

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 11, nr. 2, mei 2005

Zestig jaar! Niet te geloven. Zestig jaren zijn verlopen sinds een hulpeloze, jonge vent, deserteur uit het Duitse leger, werd geholpen door Hollandse patriotten en opgenomen in een familie, die haar eigen zorgen had om het dagelijks overleven. Deze jonge kerel is ondertussen een oude opa met kinderen en volwassen kleinkinderen, die nog vaak in dankbaarheid aan zijn tweede vaderhuis aan de Smidsweg in 's-Gravendeel terugdenkt. En aan zijn tijdelijke "halve broers en zusters", die nu ook al 40 jaar getrouwd zijn.

Deze alinea uit een brief die ik vanmorgen ontving van een oude kennis uit de oorlogstijd zette ook mij in gedachten weer even terug in de tijd, nu exact 60 jaar geleden, die laatste oorlogswinter 1944-1945.

Wij woonden boven onze winkel, die toen geen winkel was bij gebrek aan winkelwaren, en beurtelings dienst deed als onderkomen voor geëvacueerde mensen, vervangend schoollokaal en soms ook werd gevorderd door de Duitse Wehrmacht, die er dan een laag stro in gooide waarin dan zo'n dertig soldaten werden ondergebracht, die weer klaar gestoomd moesten worden voor "het front".

In die tijd, omstreeks eind november 1944, kwam mijn vader een keer 's avonds onze huiskamer binnen met onze overbuurman Wim Kranendonk en een jonge man in een wat slobberig burgerpak, waarvan ons werd verteld dat hij uit het inundatiegebied was geëvacueerd en Paul Besseling heette, hetgeen ook op zijn -natuurlijk ook valse- persoonsbewijs vermeld stond. Zijn werkelijke naam was, zoals wij pas later hoorden Paul Schlechter, afkomstig uit Luxemburg, waar hij nu nog woont.

Luxemburg was in die tijd ingelijfd bij Duitsland en alle jongens waren evenals die in Duitsland opgeroepen voor militaire dienst. De eerste tijd in Duitsland had hij geen gelegenheid gehad te ontsnappen, maar toen hij overgeplaatst werd richting front, zocht hij naar een gelegenheid om te deserteren, hoe levensgevaarlijk dat overigens ook was. Eenmaal in ons land aangekomen, werd zijn afdeling in de Hoeksche Waard gestationeerd en tijdelijk ondergebracht in een boerenschuur in Mookhoek, bij de boerderij van Flip van den Hoek en diens zoon Jaap. Al spoedig wist hij contact te leggen met Jaap en hem duidelijk te maken dat hij het helemaal niet eens was met de gang van zaken in het "grote Duitse Rijk" en al helemaal geen zin had hiervoor te vechten, laat staan te sterven. Maar nog diezelfde avond moest de troep afmarcheren met onbekende bestemming, waarschijnlijk richting front.

Zij marcheerden via de Strijensedijk naar 's-Gravendeel, door de Langestraat en het was flink donker toen hij rechts van de straat een heg zag. Daar stapte hij uit het gelid, zogenaamd om te plassen, maar terwijl de troep doormarcheerde verborg hij zich en keerde enige tijd later terug naar Mookhoek, waar hij de hulp inriep van Jaap van den Hoek. Hoewel het ook voor Jaap een levensgevaarlijke situatie opriep, heeft deze hem toch verborgen op de zolder van een verlaten woning, die tegenover de boerderij aan de overzijde van de dijk in het door de Duitsers onder water gezette gebied stond.

Maar het was al dik herfst en in de schuilplaats kon natuurlijk niet gestookt worden en ook voor Jaap werd het een steeds koudere klus om de onderduiker elke dag van eten en drinken te voorzien, wat die dan op zijn beurt weer moest verdedigen tegen de hongerige ratten die ook een droog plekje in de verlaten huizen hadden gezocht. Dit kon zo niet lang duren, want de kans om verraden te worden werd steeds groter. Jaap naam contact op met zijn relaties bij het verzet, de ondergrondse. De leider daarvan was Anton Overhoff, tevens directeur van het distributiekantoor, waar ook Wim Kranendonk een functie had, zodat het mogelijk was om met behulp van andere "goede" relaties Paul te voorzien van enigszins betrouwbare papieren en distributiebonnen.

Toen moest nog een veiliger onderkomen worden gevonden. Dat werd in eerste instantie in het gezin van Kees van der Linden, onze buurman en later loco-burgemeester, maar na een paar weken bleek het daar niet veilig genoeg te zijn: te opvallend en bovendien niet ruim behuisd. Dus werd gezocht naar een andere schuilplaats, die werd gevonden in ons gezin. Wij woonden immers boven de winkel, dus niet iedereen kon zomaar bij ons binnenkijken of binnenlopen. Bovendien was de winkel op dat moment weer gevorderd door de Duitse Wehrmacht en wie zoekt daar dan een deserteur? Zo gek is toch niemand om zich daar te verstoppen!

Tot de bevrijding is Paul bij ons gebleven, wat overigens, behalve een aantal goede herinneringen, ook best een aantal spannende momenten heeft opgeleverd, zoals bijvoorbeeld de keer dat enkele militairen plotseling de trap opkwamen en onverwacht bij ons in de kamer stonden. We zaten allemaal stijf van schrik rond de tafel, Paul en onze ouders wel het meest, want de doodstraf werd in die tijd nogal gemakkelijk toegekend aan wie de nazi's dwars zaten. Gelukkig vroegen ze uiteindelijk alleen om een pan om wat aardappels die ze ergens gepikt hadden te kunnen koken. Hun rantsoenen waren in die tijd ook niet erg ruim bemeten en wij waren wat blij dat we ze met pan weer zagen vertrekken, die ze overigens later weer netjes schoon hebben teruggegeven. Paul kreeg nog wel een standje van mijn vader, omdat die hen in het Duits antwoord had gegeven op hun vraag en dat had verdenkingen kunnen wekken.

Wat de taal betreft, Paul had in korte tijd heel goed Nederlands geleerd door veel met mijn jongste broer en zus, Goos en Ineke, te praten. Die waren toen net acht jaar geworden en omdat Paul een kunstenaar was met verf en penseel wisten ze elkaar aardig bezig te houden. Een ander spannend moment was de dag dat de Wehrmacht ook de rest van ons huis vorderde en wij binnen een paar uur met medeneming van wat kleding, maar met achterlating van beddengoed weg moesten zien te komen.

Gelukkig werden wij goed opgenomen door buren en kennissen, ook Paul, maar het probleem was hem langs de militair te loodsen die toezicht hield op onze verhuizing. Paul herkende hem namelijk uit zijn diensttijd, maar wist niet of hij betrouwbaar was. Wij hebben zoveel kleren over Paul heen gestapeld dat je hem niet goed meer kon zien en hem samen met mijn zusjes langs de wachtpost naar het nieuwe onderduikadres, bij de familie De Zeeuw in de Nieuwstraat, gestuurd.

De broers Dirk en Piet de Zeeuw kenden Paul al en kwamen al regelmatig bij ons over de vloer, evenals Bas van Prooijen en Wim Kranendonk, die ook hun steentje hebben bijgedragen om onze deserteur die moeilijke winter door te helpen. Aan mij was de taak om van tijd tot tijd naar Mookhoek te lopen (fietsen werden prompt gevorderd als je ermee op straat kwam) en daar bij de familie Van den Hoek wat melk of soms boter of tarwe op te halen als bijdrage in het onderhoud. Dat was allemaal goed geregeld en we kwamen niets tekort, al was het ook geen vetpot, want er waren natuurlijk nog wel meer onderduikers in de omgeving die gevoed moesten worden. Het was een spannende tijd, los van het bovenstaande gebeurden er natuurlijk nog allerlei prettige en minder prettige dingen, die direct of indirect met deze situatie te maken hadden.

Wij hadden het geluk dat we allemaal het einde van de oorlog hebben gehaald en de komst van de geallieerde troepen, met daaraan voorafgaand de voedseldroppings, mochten meemaken. Voor Paul was het nog niet afgelopen, die werd alsnog gevangen genomen en heeft nog maanden vastgezeten voor nader onderzoek in een kazerne in Haarlem. Wij kregen daarvandaan in de loop van de zomer een berichtje toegesmokkeld, waarop mijn vader en nog iemand uit het voormalige verzet er op de motorfiets zijn heengereden om ontlastende verklaringen te verstrekken, waardoor hij na enige tijd vrij kwam en weer naar huis kon gaan.

Nu, zestig jaar later, hebben wij nog steeds van tijd tot tijd contact met elkaar en ziet hij onze inmiddels overleden ouders dus min of meer als tijdelijke pleegouders en mij en mijn broer en zusters als halfbroers en -zusters, zoals uit de aanhef van dit stukje blijkt.

Karel van Voorthuisen, 15 januari 2005.