logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Meester Geene

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 12, nr. 1, februari 2006

Op 30 september 1829 ging Jan van Harthals, sinds 1795 “onderwijzer der jeugd” in 's-Gravendeel, met pensioen.

Per 1 oktober 1829 werd Van Harthals opgevolgd door een nieuwe onderwijzer, genaamd Gerrit Geene. De nieuwe meester was op 27 oktober 1801 in Waspik geboren en kwam met zijn vrouw Jannetje van Rijs vanuit Lekkerkerk naar 's-Gravendeel.

In die tijd bestond er in ‘s-Gravendeel slechts één type school: de openbare school. Sinds 1806 gold een landelijke schoolwet, waarin bepaald was dat de openbare school toegankelijk was voor kinderen van elke godsdienstige gezindte.

De school bevond zich nabij de hervormde kerk aan het einde van de Noord Voorstraat, waar nu het pand van drogisterij Monster staat.

Al snel na het aantreden van Gerrit Geene ontstond er wrijving met het gemeentebestuur, in casu burgemeester Elshoff. In een brief van 17 februari 1831 aan de schoolopziener in het vijfde district van Zuid-Holland beklaagde de burgemeester zich over het feit dat Geene zich rechtstreeks had gewend tot de schoolopziener, zonder eerst de burgemeester te raadplegen. Burgemeester Elshoff (die in mei van dat jaar zou overlijden) voelde zich gepasseerd en was beledigd. Vals schreef hij aan de opziener: “... maar dat hij liever oppassentheid, figelantie en properheid daarvoor in de plaats doet treden, opdat den dominee bij den winteravondgodsdienst niet door verregaande slonsigheid, onagtzaamheid en niet schoonmaken van de lamp andermaal in den stikdonkere onder het midden van de preek komen te staan.”

De komst van burgemeester Heereman, in 1832, klaarde de lucht niet. Op 16 februari 1832 schreef Heereman een brief aan Geene waarin hij hem vermaande tijdiger de kerkklok te luiden en het kerkgebouw beter schoon te maken.

Hieruit kan geconcludeerd worden dat Geene ook de taak van koster en klokluider van zijn voorganger had overgenomen.

Het bleef niet bij de brief van de burgemeester. In de vergadering van de gemeenteraad van 19 april 1832 bracht Heereman het onderwerp ter sprake. Geene zou diverse keren verzuimd hebben op zondagavond om acht uur de klok te luiden. De schoolmeester werd in de vergadering toegelaten en hij werd toegesproken door de voorzitter. Geene deed moeilijk en bracht verschillende bezwaren in. Toch vond de gemeenteraad dat hij zijn taak moest uitvoeren, óók op zondagavond. De zaak verloren hebbend, liet Geene nog gauw aan de raad weten dat hij vele klachten over het gemeentebestuur zou kunnen inbrengen.

Dat moest hij dan maar schriftelijk doen, vond de burgemeester, en stuurde hem de zaal uit.

Uit een document uit 1840 blijkt dat Geene voor het luiden van de klok bij een verjaardag van een lid van het vorstenhuis ƒ 2,10 ontving. Ook in de daarop volgende jaren werd aan de klokkenluider dit bedrag toegekend.

In 1838 verhuisde de openbare school naar een nieuw gebouw aan de Noord Voorstraat. De school zou daar tot het einde van de jaren '50 van de twintigste eeuw blijven.

Ondertussen maakten Gerrit en zijn vrouw Jannetje droevige tijden door. Toen zij in 's-Gravendeel arriveerden hadden zij een dochtertje, dat later met Leendert Moret zou trouwen. In de jaren vanaf 1830 kregen zij vrijwel jaarlijks een kind, dat ofwel dood geboren werd of na korte tijd weer overleed. In totaal kregen zij tot en met 1851 18 kinderen: 7 werden dood geboren; 7 stierven als baby, slechts vier werden volwassen.

In 1851 telde de school 251 leerlingen, 144 jongens en 107 meisjes. Leerplicht was er echter niet. De burgemeester meldde in zijn verslag aan de schoolopziener dat de kinderen de school slecht bezochten, vooral in de zomer kwam maar de helft naar school. Daarnaast was er nog een avondschool, welke door 73 leerlingen, allen jongens, werd bezocht. Uit het verslag blijkt verder dat Geene een inkomen van plusminus ƒ 1.050 per jaar genoot.

Al lijkt dit een heel bedrag, Geene kon er blijkbaar niet mee rondkomen. Zijn vrouw opende een depot van thee van de firma Roelofs en Zoon te Amsterdam, ook al was het op grond van de wet op het lager onderwijs verboden dat de onderwijzer, noch iemand van zijn gezin, enige nering mocht uitoefenen.

In 1858 bekleedde onderwijzer Geene naast zijn functie als hoofdonderwijzer ook de ambten van voorlezer, voorzanger, koster en kerkelijk ontvanger van de Nederlands hervormde gemeente.

In januari 1863 schreef de burgemeester een brief aan Geene. Wat was er gebeurd? De hoofdonderwijzer had zijn hulponderwijzer Marinus Monsjou in het bijzijn van de schoolkinderen uitgescholden en beledigd omdat Monsjou, naar bleek op verzoek van de burgemeester, een administratie bijhield van het verzuim van de kinderen. De burgemeester vond dat Geene dat uitschelden voortaan maar buiten de aanwezigheid van de kinderen moest doen: “ als wordende daardoor het ontzag, hetwelk deze aan die onderwijzers betonen moeten, ondermeind. Het is in eene zoo talrijke school als deze nodig dat orde zij, en het nodige ontzag voor het onderwijzend personeel bestaat.”

Uit de stukken lijkt over Geene een beeld te ontstaan van iemand die zich weinig bekommerde om regels en liever zijn eigen gang ging. Zo moest hij op grond van een in 1860 door de gemeenteraad vastgestelde instructie vier keer per jaar een lijst van schoolgaande kinderen aan het gemeentebestuur toesturen. In 1867 verzuimde hij dat, zodat burgemeester en wethouders een brief aan hem stuurden waarin onder andere stond: “ Het is nodig dat u zich aan die instructie onderwerpt en de daarbij gegeven voorschriften nakomt, ofwel indien u zich daarmede niet kunt vereenigen uw ontslag aan de raad uit uwe betrekking verzoekt.”

Met andere woorden: Als u niet doet wat wij willen, dan hoepelt u maar op!

Nou was Geene inmiddels ook 65 jaar geworden en het zou na bijna veertig jaar misschien goed zijn om eens een andere hoofdonderwijzer aan te trekken.

Zo was er in de zomer van 1867 nog een akkefietje omdat Geene op eigen houtje de school een dag langer had gesloten dan de voorgeschreven vakantie van een week.

Heereman, als hoofd van de plaatselijke schoolcommissie, schakelde de inspecteur van het lager onderwijs in Zuid-Holland in en schreef : “ dat hij zich sedert jaren over het onderwijs en de onderwijzer Geene heeft te beklagen gehad, als steeds in het belang van het onderwijs rijkhalzend den ogenblik heeft tegemoet gezien, dat hij den leeftijd van 65 jaren zou hebben bereikt, en alzoo regt op zijn volle pensioen zou verkregen hebben, maar als 40 jaren schoolmeester zijnde.” Heereman voegde eraan toe dat de gemeenteraad het met hem eens was. Ten bewijze van het slecht functioneren van de bovenmeester werd een enquête gehouden onder de ouders van de 275 leerlingen die destijds de school bezochten. Slechts 20 ouders bleken tevreden te zijn over de vorderingen van hun kinderen.

Geene had inmiddels ook wel door dat het zo niet verder kon en onder enige dwang vroeg hij op 29 augustus 1867 zijn ontslag, welk ontslag door de gemeenteraad per 1 mei 1868 werd toegekend. Toch liet Geene het er niet bij zitten. Hij schreef een brief aan de provinciale inspecteur van het lager onderwijs waarin hij de burgemeester ervan beschuldigde hem steeds tegengewerkt te hebben.

De burgemeester vond echter dat het geld van de ingezetenen, dat aan het onderwijs werd besteed, onder de leiding van Geene nutteloos verspild werd. Het was geen persoonlijk belang, immers kinderen had Heereman zelf niet. Maar verder? “ Meer dan 36 jaar heb ik die man gedragen, niettegenstaande er een tijd is geweest dat hij 's wekelijks des vrijdags in stilte naar Dordrecht ging, de school door gebrekkig hulponderwijzend personeel deed waarnemen en veelal beschonken tehuis kwam.”

Maar wat gebeurde er na zijn pensionering? Gerrit Geene ging voor zichzelf beginnen!

Hij had het plan opgevat om na zijn pensionering een bijzondere (lees: christelijke) school te gaan beginnen. En aangezien hij aan de voorwaarden voldeed was er niets dat hem daarin kon tegenhouden. Nu maakte het gemeentebestuur zich daar ook niet druk om, want bijzonder onderwijs werd niet door de overheid gesubsidieerd. De schoolstrijd was nog lang niet gestreden. Het enige dat uit de openbare kas zou blijven komen was het pensioen van Geene.

Geene liet een huis bouwen ter plekke van het huidige pand Langestraat 16 en begon daar zijn privé-schooltje, bestaande uit een burgerwoning met één lokaaltje. Hoeveel kinderen er overstapten vanaf de openbare school is niet bekend.

De school werd reeds op 18 mei 1868 geopend.

Gerrit Geene is op 17 november 1882 te 's-Gravendeel overleden. Met zijn overlijden kwam een einde aan de eerste bijzondere school in 's-Gravendeel. De kinderen moesten weer terug naar de openbare school. Zijn vrouw Jannetje overleed op 20 maart 1884. Meer dan vijftig jaar waren zij getrouwd geweest en hadden in ieder geval veel leed gedeeld.

Het valt niet mee om anderhalve eeuw na dato iemands leven te beschrijven. Uit de burgemeestersbrieven is veel informatie te halen, alleen belichten deze stukken de persoon Geene maar van één kant, die van zijn werkgever, het gemeentebestuur.

Hoe Geene zelf dacht over dingen en waarom hij onderwees op zijn eigen manier blijft onbekend. Waarom bedronk hij zich in Dordrecht? Was het om zijn verdriet weg te spoelen als er weer een dood kind opgebaard had gestaan in zijn huis? En waarom begon hij een eigen school? Was dat echt, zoals J. Visser in zijn “Geschiedenis van de school” schrijft, omdat hij zich vanuit christelijke beginselen gedrongen voelde te breken met het openbaar onderwijs? Is dat niet een te rooskleurig beeld, na het lezen van het voorgaande?

Zo blijven er meer vragen over dan er antwoorden gegeven kunnen worden.

Toch zal Geene als een bijzonder mens in de geschiedenis van het 's-Gravendeelse onderwijs bekend blijven.

AOM

Bronnen: burgemeestersbrieven, bewerkt door W. van Velsen-Griffioen; ‘1593 's-Gravendeel 1993, uit de geschiedenis van het dorp aan de Kil”; “De geschiedenis van de school”, door J. Visser, in de schoolkrant van de christelijke school. Burgerlijke Stand 's-Gravendeel.