logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Negentig jaar Christelijke Woningbouwvereniging 's-Gravendeel

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 11, nr. 4, november 2005

In het begin van de twintigste eeuw was het in 's-Gravendeel niet goed gesteld met de behuizing van de arbeiders. Vele van hen woonden met hun gezinnen bij hun ouders in of bewoonden een “vertrek” in een zogenaamde “buurt”. Dat waren kleine woningen die ruimte moesten bieden aan vaak grote gezinnen. Er waren eigenlijk te weinig goede woningen met een lage, betaalbare huur.

De gemeente wilde in 1900 al zelf proberen wat goedkope woningen te laten bouwen voor de arbeiders. Dat is mislukt. De kosten waren te hoog voor de gemeente.

De arbeiders waren voor wat hun woonruimte betrof, afhankelijk van particuliere woningbezitters. De dijkhuizen waren vochtig en ongezond, in ieder geval de onderhuizen. De vertrekken in de buurten waren klein en vaak koud. Er kwamen veel ziektes voor. Arbeiders die de kans zagen, vertrokken naar andere gemeenten waar betere woningen beschikbaar waren.

De 's-Gravendeelse werkliedenvereniging “Door Eendracht Sterk” sprak in 1913 en 1914 herhaaldelijk over de woningtoestand van de arbeiders. Dit resulteerde in de oprichting van een eigen woningbouwvereniging van de Christelijke Nationale Werkmansbond afdeling 's-Gravendeel, waarvan de bestuursleden waren W. de Zeeuw, A. van der Walt, F. de Geus. G. Moret, P. van der Stel, P.H. de Zeeuw, F. van Keulen, A. van Dalen, A. Noorlander en J. van Warendorp.

De formele oprichtingsdatum was 22 juli 1915. Het bestuur bestond niet alleen uit arbeiders. Onder hen was het hoofd van de christelijke school F. van Keulen - hij werd secretaris - die in 1918 aan de Spaanse griep zou overlijden. Ook de winkelier A. Noorlander was erbij.

De woningbouwvereniging wilde snel bouwen en vroeg steun aan het gemeentebestuur. Op 25 september werd het verzoek behandeld in de gemeenteraad en unaniem waren de raadsleden van mening dat er geen steun gegeven kon worden aan arbeiders, maar dat aan particulier initiatief de voorkeur moest worden gegeven. Zou dit evenwel te kort schieten, dan kon de gemeente altijd nog zelf overgaan tot de bouw van enige arbeiderswoningen.

Het antwoord stelde teleur. Het bestuur had in het verzoek de argumenten genoemd: de aanwezige woningen waren te klein, te ongezond en er waren te weinig arbeiderswoningen.

Het bestuur ging lobbyen. Dat woord was toen nog onbekend, maar de manier van de lobby werd gebruikt om burgemeester en wethouders, de inspecteur van de woningbouw en kerkmeesters met de ideeën en de plannen van de vereniging bekend te maken.

Het bestuur stelde statuten op die koninklijke goedkeuring kregen en maakte plannen.

Met de plannen om twaalf arbeiderswoningen te bouwen aan de Smidsweg en Roodenburg Vermaatstraat ging het bestuur weer naar de gemeenteraad. Het kreeg weer nul op rekest.

Om met rijksvoorschot te kunnen bouwen, moest de vereniging eerst erkend worden door de Kroon.

De coöperatieve woningbouwvereniging te 's-Gravendeel werd bij Koninklijk Besluit van 12 februari 1916 n° 43 toegelaten als “vereniging, uitsluitend werkzaam in het belang der volkshuisvesting.”

Het duurde daarna nog ruim een jaar voor de meerderheid van de raad gewonnen was om mee te werken aan de bouw van een complex van niet twaalf, maar veertien arbeiderswoningen, door de woningbouwvereniging. Aan de raad werd een voorschot gevraagd om met de bouw te kunnen beginnen. De exploitatie en de bouw zou het bestuur op zich nemen.

De Gezondheidscommissie te Oud-Beijerland boog zich over de plannen en vond ze goed. De commissie adviseerde de gemeenteraad medewerking te verlenen. Na nog heel wat heen en weer gepraat was de raad in meerderheid voor. Er stemden nog twee raadsleden tegen.

De gemeente 's-Gravendeel besloot op 4 september 1917

“Op de voorwaarde aan dit besluit gehecht en de door de wet gestelde aan genoemde instelling voor de tijd van 50 jaar, ingaande 1 augustus 1917:

In erfpacht af te staan een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente 's-Gravendeel sectie F n° 1451 ter grootte van 21 are 25 ca. tegen betaling van een jaarlijks recht ten bedrage van f 212,50.

Aan de gemeente verleende voorschotten, respectievelijk groot 2.400 gulden voor het in orde brengen van het bouwterrein en f 30.000 voor de bouw van een 14-tal woningen

Over te dragen aan genoemde vereniging tegen betaling van rente en aflossingen van annuïteiten van respectievelijk groot f 4,446 ten honderd, te betalen gedurende 75 jaren en ƒ 4,856 ten honderd gedurende 50 jaren.”

23 november 1917

De Minister van Binnenlandse Zaken, minister van Staat schreef op 23 november 1917:

“Ik heb de eer uw college mede te delen dat de Minister van Financiën en ik bereid zijn aan de koningin voor te stellen om aan uw gemeente een voorschot uit's rijks kas tegen een rente van 4¼ % toe te kennen voor ten hoogste f 2.400,- voor de aankoop van de grond.

En f 42.200 voor de bouw van 14 arbeiderswoningen.”

En dit was de koninklijke goedkeuring:

Afschrift n° 91

27 december 1917

Wij, Wilhelmina bij de Gratie Gods Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje Nassau enz. enz. enz.

Door het gemeentebestuur van 's-Gravendeel zijn gevraagd voorschotten van respectievelijk ten hoogste 2.400 en 42.200 gulden, met de bedoeling om door voorschotten van gelijke bedragen van gemeentewege de woningbouwvereniging van de Christelijke Nationale Werkmansbond afdeling 's-Gravendeel in die gemeente te steunen;

Is toegelaten als vereniging uitsluitend in het belang van de verbetering van de volkshuisvesting werkzaam, in staat te stellen tot de aankoop van grond voor en de bouw van een veertiental arbeiderswoningen;

Overwegende dat op grond van de ingewonnen ambtsberichten het bedrag van het voorschot voor zowel wat betreft de aankoop van de grond op ten hoogste 2400 gulden en voor zoveel betreft de bouw op ten hoogste 42.200 gulden moet worden gesteld, en dat er geen bezwaar bestaat om de aflossing van die voorschotten te verdelen over respectievelijk 75 en 50 jaren bij wege van annuïteiten;

Overwegende dat volgens ons besluit van 6 maart 1915, in afwachting van de tegenwoordige buitengewone omstandigheden, hebben opgehouden te bestaan de rente wegens voorschotten als de onderhavige in elk bijzonder geval door ons wordt bepaald;

Overwegende dat het wenselijk is in dit geval aan de berekening van de annuïteit een rentevoet van 4½ % ten grondslag te leggen;

Overwegende dat van het geraamde tekort van f 907,52 een bedrag f 123,89 op rekening van de verhoging van de rentevoet en een bedrag van f 783,63 op rekening van de hogere exploitatiekosten, tengevolge van de hogere bouwkosten is te stellen, terwijl in het restant tekort uit eigen middelen zal moeten worden voorzien;

Hebben goedgevonden en verstaan

aan de gemeente 's-Gravendeel te verlenen voorschotten uit ‘s rijks kas voor ten hoogste f 2.400,-, ten behoeve van het in gereedheid brengen van het perceel grond tot bouwterrein en
een voorschot van ten hoogste f 42.200 ten behoeve van de bouw van een veertiental arbeiderswoningen.
Was getekend: Wilhelmina

In augustus 1917 werd de eerste steen gelegd van de veertien arbeiderswoningen die ontworpen waren door architect Bilderbeek. De huizen kregen de huisnummers Smidweg 9-15 en Roodenburg Vermaatstraat 1-19.

De huurprijs werd vastgesteld. Niet alle huurders zouden hetzelfde bedrag betalen. Ieder betaalde naar zijn inkomen en de grootte van zijn gezin, van ƒ 2,40 per week tot ƒ 4,00.

Er was voldoende animo voor de huizen. Ze waren gerieflijk en naar de eisen van de tijd gebouwd. Er was zoveel vraag dat de woningen in een mum van tijd verhuurd waren.

Maar wat bleek? Om de bouw zo goedkoop mogelijk te laten zijn, was er afgezien van het bijbouwen van een schuurtje. Zo'n schuurtje was echter nodig. Waar moest de huisvader zijn fiets bewaren, zo hij die had? Waar moet hij zijn spade neerzetten? In de keuken waar ook de kleine kinderen rondliepen? Dat was toch niet veilig! Bovendien, waar moesten de bewoners hun kolen voor de kachel bergen?

De ene na de andere bewoner kwam bij het bestuur met het verzoek zelf een schuurtje te mogen neerzetten of zijn erf. Het bestuur vond de verzoeken terecht. Om te voorkomen dat er een woud van verschillende houten schuurtjes in de nieuwe wijk zou komen, besloot de woningbouwvereniging aan de gemeenteraad een extra voorschot van ƒ 3.000 te vragen voor de bouw van een klein stenen schuurtje bij elk huis. Het argument dat werd aangevoerd was: ”te voorkomen dat de willekeur hoogtij zou vieren en de grilligste, onsmakelijkste vormen van schuurtjes verrijzen zouden.” Het verzoek was gedateerd 21 september 1917.

De gezondheidscommissie adviseerde de gemeenteraad: “Waar afzonderlijke schuurtjes aan een ordelijke inrichting der woningen slechts kunnen ten goede komen, is verhoging van het voorschot voor de woningbouw te 's-Gravendeel in deze met een bedrag van ƒ 3.000 naar het oordeel der commissie, zeker aan te raden.”

De raad ging akkoord en verhoogde het voorschot van ƒ 42.000 tot ƒ 45.000. Gedeputeerde Staten hechtten hun goedkeuring aan het raadsbesluit op 16 oktober 1917.

De bouw van de schuurtjes werd de massa ƒ 39.345 gegund aan de minste inschrijvers: J. Brussee (ƒ 17.245), A. Monster/wed. Uitterlinden (ƒ 16.680), B. Verwijs (ƒ 2.705). D. Lugter (ƒ 2.080), H. Barth (ƒ 520).

Niet lang daarna werd er een nieuw verzoek ingediend, nu voor de bouw van twaalf arbeiderswoningen waaraan in de gemeente nog steeds grote behoefte bestond. Met schuurtjes.

Het berekenen van de huurprijs was niet zo eenvoudig. De gemeenteraad bemoeide zich er intens mee. De inkomens van alle gezinsleden samen werden opgeteld en daarna de huurprijs vastgesteld. Burgemeester en wethouders moesten hun berekeningen uitleggen aan de minister van Binnenlandse Zaken, die vond dat er meer huur getrokken moest worden.

Burgemeester D. Roodenburg Vermaat schreef aan de minister: “Er zijn huurders die ƒ 40 inkomen hebben. Zij kunnen de hogere huur wel betalen. Het inkomen van Van Ballegooijen echter bedraagt ƒ 15,- per week en aangezien dit gezin uit zes personen bestaat, is een huurprijs van ƒ 3,- voor dat gezin te hoog.”

Op 9 april 1918 schreef de minister terug: “De minister van financiën en ik hebben aanleiding gevonden om nader te bepalen dat de huur voor Van Ballegooijen op tenminste ƒ 2,25, die voor W. de Zeeuw op tenminste ƒ 4,- moet worden gesteld.

Gaarne ontvang ik alsnu een definitieve opgave van de vastgestelde huren.”

Een paar dagen later werd een staatje met huren die tussen ƒ 2,40 en ƒ 3,00 lagen naar de minister opgestuurd. Tezamen met de uitleg: ”De laatste van het staatje is W. de Zeeuw Azn met een huurbedrag van f 2,40. Dit gezin bestaat uit negen personen waarvan vier boven de 10 jaar, zodat ons inziens een huur van f 4,- voor dit gezin veel te hoog is. Er zou voor voeding en kleding voor dit gezin niet eens f 3,- per persoon overblijven. Hierbij komt nog, dat de oudste zoon, die met zijn vader voor het inkomen moet zorgen, zwak is. Wij verzoeken uwe excellentie daarom alsnog te willen goedkeuren dat de huur voor De Zeeuw op f 2,40 per week blijft gehandhaafd.”

Het lijkt op een marchanderen, deze briefwisseling tussen gemeentebestuur en het ministerie.

Niet alleen arbeiders kregen een huurwoning van de woningbouwvereniging. Ook de gemeentesecretaris Groeneveld de Kater woonde tijdelijk in zo'n woning. Over hem schreef de minister van Binnenlandse Zaken op 11 mei 1918:

“Inzake de bij uw nevengemeld schrijven overgelegde opgave van de toekomstige huurders van de in uw gemeente met rijksvoorschot te bouwen woningen, ben ik in overleg getreden met de minister van financiën. Deze is met mij van oordeel dat de gemeentesecretaris B. Groeneveld de Kater niet geacht kan worden te behoren tot de personen voor wie met rijksvoorschot te bouwen woningen zijn bestemd.

Onder de overige komen personen voor wier gezinnen zodanige inkomen hebben, dat zij aanmerkelijk hoger huren dan de opgegeven kunnen betalen, met name Koster, Mol, de Zeeuw, Van Prooijen en Kleinendorst zal de huur, zolang de gezinnen de tegenwoordige inkomsten genieten, zo hoog moeten worden opgevoerd, dat althans de kostprijs der woningen wordt gedekt.

Voor Van der Wulp zou de huur beter gesteld kunnen worden op f 4,50. Voor De Zeeuw op f 3,- voor De Boon op f 4,- voor Van den Berg op ƒ 2,40 en voor Van Ballegooijen op f 3,- per week.

Gaarne verneem ik welk gevolg aan dit schrijven zal worden gegeven.”

Er kwamen zware tijden. In 1922 heerste er grote armoede in 's-Gravendeel omdat de vlasoogst overal was mislukt. Het werken in de vlasserijen was tot een minimum beperkt en vele vlasarbeiders kwamen zonder werk en konden hun huur niet meer betalen.

Voor een vereniging die geen reserves heeft, is dat een ramp.

In de dertiger jaren verlaagden alle particuliere huiseigenaren de huur van hun huurwoningen. De Woningvereniging moest wel volgen, omdat de huren zo hoog waren dat er een viertal woningen onverhuurd bleef. Mensen gingen uit financiële noodzaak met hun gezin bij hun ouders inwonen. Het bestuur van de vereniging wilde de huren graag verlagen, maar had daar de toestemming van de gemeente voor nodig.

1 maart 1934: “Hierbij kan voorts worden opgemerkt, dat zolang er woningnood in de gemeente heerste de woningen der bouwvereniging steeds konden worden verhuurd, maar nu er woningruimte is gekomen, staan reeds vier woningen enige maanden open, juist van de hoogste huren. Er is geen vraag naar. Zelfs de nieuw benoemde rijksveldwachter wilde er geen van betrekken. Ze waren hem te klein en te hoog in huur,” schreven de leden van het Dagelijks Bestuur W. de Zeeuw en H. van den Berg van de woningbouwvereniging naar burgemeester en wethouders.

De vereniging leed verliezen.

Vanaf 1936 krabbelde de vereniging weer wat overeind en na de oorlog kwam de opmars: 90 nieuwe huizen in de Nest en na de watersnood in 1954 eerst een veertiental woningen in de “koninklijke buurt” en daarna een rampcontingent van 118 woningen eveneens in die buurt in de Nest, waaronder de eerste flatwoningen in 's-Gravendeel, die van de Oranjestraat.

Later kwamen de woningen in de Mijlpolder, waaronder de flats van de Hiesveltstraat.

Vervolgens werden de woningen aan Roodenburg Vermaatstraat gebouwd, nog later die aan de Roterij- en Repelstraat.

In 1969 werd er nog een flatgebouw opgericht, in de Vezel- en Van Groningenstraat, ontworpen door architect C.J. Barth. Omstreeks diezelfde tijd kwamen de eerste “bejaardenwoningen”, die aan de Spinnerijstraat.

Een jaar later kwamen de flats aan de Hendrik Hamerstraat.

Het woningbestand van de Bouwvereniging breidde zich sterk uit, hetgeen voor de eenvoudige bestuursleden een grote zorg werd. Architect C.J. Barth gaf zijn steun aan de vereniging en hielp waar hij kon. De voorzitter van de vereniging, Zeger Robbemont, bleef hameren op het belang van overleg. “Geef nooit alle macht aan één persoon; onderling overleg is de belangrijkste functie van een vereniging.” Ook besteedde hij vaak de tijd anderen te overtuigen van het feit dat de huren betaalbaar moesten blijven.

De flats in Hekelstraat en Lijnzaadstraat kwamen, de woningen in plan West.

Grote zorg besteedde de vereniging aan renovaties, bijvoorbeeld die van de flats van de Oranjestraat.

Het bestuur van de vereniging hoopte op een doorstroming van bewoners vanuit de goedkope woningen naar de duurdere. Dat lukte niet, de mensen bleven liever in hun goedkope huis wonen dan te verhuizen naar een moderner huis met hogere huur.

De eerste woningen, die van de Smidsweg en de Roodenburg Vermaatstraat waren niet meer van de tijd. Ze werden gesloopt en architect Judith Barth, dochter van C.J., ontwierp mooie, nieuwe woningen, die op de plaats van de oude werden neergezet.

Woningen in de Bernhardstraat werden afgebroken en er kwamen andere voor in de plaats.

De bejaardenwoningen van de Spinnerijstraat werden afgebroken en er kwam een nieuw complex woningen met een atrium voor in de plaats.

De woningbouwvereniging is inmiddels een stichting geworden, de Christelijke Woning Stichting. Met zo'n groot woningbezit was professionalisering dringend gewenst.

De Woningstichting doet veel aan dorpsvernieuwing. Zelfs nog goede woningen moeten daarvoor wijken. Een moeilijk project blijkt het bouwen van een vierde verdieping op de flatwoningen van de Hendrik Hamerstraat.

De visie van de oorspronkelijke initiatiefnemers was: bouwen van goede, betaalbare woningen. Velen zijn bang dat de nieuwe vervangende woningen wel goed zullen zijn, maar niet voor ieder betaalbaar.

WvV-G

Bronnen:
Gemeentearchief; jubileumuitgave 75 jaar chr. Woningbouwvereniging 's-Gravendeel; 90 jaar CWG in beeld en CWG-magazines; persberichten van Nieuwsblad gewijd aan de belangen van de Hoeksche Waard en IJselmonde; Kompas; interviews met bewoners van huurwoningen.