logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Seuteren in 1944

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 10, nr. 4, november 2004

Geseuterd werd er altijd, ook in de bezettingstijd. Weliswaar bestond er een groot gebrek aan vet en reuzel, maar de clandestien geperste lijnolie uit het vlaszaad maakte veel goed.

Het was een tamelijk ruig gezelschap waar ik in het voorjaar van 1944 te gast was, hetgeen aan het taalgebruik (van grof tot extra grof) was te constateren, maar ook aan de manier waarop de seuters werden genuttigd.

De pan met seuters stond midden op de tafel en daar bleef het bij, want borden en vorken waren niet aanwezig. Alles ging met de blote hand. Men greep een seuter uit de pan, legde die op tafel en sloeg 'm met een flinke mep plat. Middels het schuifsysteem werd de geplette seuter naar de tafelrand gebracht, in de andere hand opgevangen en naar de mond getransporteerd.

Volgens de terzake kundigen zou dit de enige oorspronkelijke juiste manier zijn waarop een oprechte Seuter al eeuwen zijn seuters wegwerkt.

Eén der gasten, die bij het binnenkomen opmerkt: "Het is slecht weer voor de paerde", is er vrij zeker de oorzaak van dat de gespreksstof de verdere avond hoofdzakelijk over boeren en vlasboeren gaat.

Onder het genot van de seuters en bier vullen de verhalen de lucht waarbij de vrolijkheid nog wordt bevorderd doordat één van de dames een weckfles vol advocaat heeft meegebracht. "Zelfgemaakte kippenbiest", zegt ze trots, "Aaiere van de aaige kippen en suiker van de Peefabriek."

"En hoe kwam ie dan an de brandewijn?" vraagt een nieuwsgierige.

"Gerole met een Dordtenaer voor een zakkie juin en pee. Hitler zel het wel niet goed vinge maar zôô'n Dordtenaer ken beter huspot ete as brandewijn drinke."

Denkende aan Hitler vraagt één der gasten: "Nou we het toch over slechte mense hebbe, hoe zou het toch met de boere gaan?"

"Laet de boere maar dorse, die komme niks te kort. Ze krijge telerspremie voor het kôôlzaed en de suikerpee, dus suiker en olie genogt. Verder hebbe ze dr aaige tarrow, melk en butter en dan de vlasboere..die krijge ôk nog een toewijzing voor linnen."

"Lijnwaad hêêtte dat vroeger", zegt een spotter, "maar ik heb ter nog nooit wat van gezien. Ik zie Bert Visser al lôôpe met een klêêd van lijnwaad om zn breeje rug."

"Een boer en een zog, die hebben nooit genog" wordt aan het verhaal toegevoegd.

"Zo is het maar net", zegt een der vrouwen die tot op heden nogal stil was, "Ze binne allemael êênder, vaste vloerbedekking op de vloer en op ter ziel, ik ken het wete, ik heb zeve jaer bij de boere gediend."

"En Jacob diende zeve jaere voor Lenaa's en ze geleken hem daege" zegt een spotter.

Maar de vrouw vervolgt: "En ze kenne ôk niet van je lijf afblijve en as de vrouw toevallig ziet dattie jou een klap op je kont geeft, dan krijg jij de schuld. "Onten del", zegt ze dan, "je mot an die venters gêên anlaaiding geve!""

Naarmate het alcoholgehalte stijgt neemt de vrolijkheid toe, de voorzichtigheid af en de uitdrukkingen en de verhalen volgen elkaar op.

Plotseling hebben ze het over een boer -achter in de Hoeksche Waard- (waarmee van oudsher wordt bedoeld: ver van Dordt en ver van huis, dat is het veiligst, want je ken nooit wete.) die een knecht aangenomen had voor een weekgeld en een wintervoorraad aardappels. Toen in de herfst de aardappels in de kelder lagen kwamen ze er achter dat het allemaal poters en kriel was, "varkesvoer".

"Dat was gêên afspraek", zee de knecht, maar den boer zee: "We hebben het over tien mud aerepels gehad, maar niet over de grôôtte van de aerepels, daer hebbe we niks over afgesproke."

Op de vraag: "Jonges, wie heb ter wat te rôôke?" haalt iemand een papieren zak voor de dag, gevuld met shag. "Belze sjek, Fleur de matras", luidt zijn aanprijzing, "altijd nog beter dan 'Buksjek' van de peukies die ze van de straet oprape."

Op de vraag: "Hoe kom ie dr an?" verklaart de trotse bezitter: "Gerole met een Rotterdammer voor twintig aerepelbonne" en hij verzucht daarbij: "We zijn niet allemael zôô rijk as Jaap Bliek, die heb op zijn tuinland honderde tebaksplante gezet en elk jaer met september as de segare rijp zijn hettie voor een jaer tebak genogt."

"Hebben jullie dat gehoord van dien boer in Wieldrecht? Die had vier pakkies Belze sjek in een stikkezakkie hange an het stuur van zijn fiets, die hij tegen het hekke had gezet en toen die terug kwam uit de waai hadde de koeie zijn sjek opgevrete."

"Oôôh, wat zieleg" zeggen sommigen en ze schateren van het medeleven.

"Den Trekdam gaan ze ôk onder water zette", wordt opgemerkt, "de moffe zijn bang dat de Engelse zelle lande achter het Kobussieshuisie." "Kom niks van in", zegt zijn buurman, "want daer weunt Leen den Boer en die houdt in zijn êêntjie de bevrijders tege met een jachtgeweer."

Terwijl de vrouwen bezig zijn met het recept voor advocaat begint er prompt iemand een lied te zingen op de wijze van "Lili Marleen":

"Voor de poort van Rostow
staat een Duits soldaat
twêê bevrore pôôte.."

Hij wordt onderbroken door de vrouw des huizes met: "Stil nou, as de plisie het hoort krijge we narighaaid." De zanger wil toch zijn "aai kwijt" en vervolgt op zachtere toon:

"Hij staat te sterreve van de kou
en denkt, waer blijft de führer nou
die oôns hier hellepe zou, die oôns hier helpe zou."

"En schijt aan de plisie" voegt hij er luid aan toe en als hij zich wederom aan Lili Marleen poogt te vergrijpen met:

"Ga je mee naer bove
ga je mee naer bed.
Onder de wolle dekens hebbie de mêêste pret..."

wordt hem door zijn eigen vrouw het zwijgen opgelegd terwijl een andere voorzanger zijn kans ziet en grijpt om het lied van de haverkist in te zetten:

"En toen de boer ging voeren de kippen en de gaait
toen vong die in de haverkist een jonge en een maaid",

waarop het hele koor invalt met:

"Hé, hebbie 'm niet gezien, dat hêêle klaaine kereltie
Hebbie 'm niet gezien Holladioooooh!"

"Ik wil niemand wegjage", zegt de gastheer, "maar denke jullie an de spertijd?"

"Je ken nae sluitingstijd nog beter een mof tege het lijf lôôpe dan de plisie" zegt één der gasten waarbij hij ondersteuning geniet van zijn buurman: "Je zeg tegen zôô'n Duitser: "Ik mot naer de Heebamme", dat is de vroedvrouw en daer hebbe ze respect voor."

"En voor die van oôns hebbe ze grôôt respect" zegt een ander, daarbij doelende op de algemeen bewonderde omvang van onze dorpsverloskundige.

"Zôô, nou is het mooi genogt" zegt een dame tegen de verteller die bedenkelijk kijkt naar de lege weckfles waarin de advocaat heeft gezeten. "Jullie hebben nogal tekeer gegaan, kijk maar uit, daluk mot Kees ôk nog naer de Heebamme."

"Wie wil dr nog een bakkie Pitto?" vraagt de gastvrouw die bezig is met koffiezetten. "Oprotkoffie" zeggen er een paar en na een kwartiertje behoort ook deze seuteravond tot het verleden.

Dat na het bal de gasten joelend zijn heengegaan is nu niet van toepassing. Stil verdwijnen ze in het donker van het verduisterde dorp zonder de al'oude slotzang: "Moeder heb gezegd dasse seuters zou beware."

ONZE LEZERS SCHRIJVEN
SEUTEREN 1944, door P.W. de Zeeuw