logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Vlasbrand bij J. Roos 26 november 1891

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 9, nr. 4, november 2003

In de tijd dat ons dorp 's-Gravendeel nog bijna volledig afhankelijk was van de vlasserij kwamen er veel vlasbranden voor. Sommige door pech, zoals hieronder beschreven wordt.

Op 26 november van het jaar 1891 ontstond er een brand in een zwingelkeet aan de Strijensedijk, wijk B nummer 73. De keet was van de vlasser Jacob Roos.

Het was al donker om zes uur 's avonds. Jacob Roos kwam met een brandende lantaarn de schuur in en klom op een ladder om de lantaarn aan een haak boven aan een balk vast te maken. Jacob reikte met de lamp naar boven en net voordat hij hem aan de haak had, begaf een sport van de ladder het en Jacob verloor zijn evenwicht en viel. Ook de lamp viel. De olie liep eruit en meteen vatte het vlas dat in de schuur was vlam.

Jacob stond direct weer op, maar zag geen kans verspreiding van het vuur te voorkomen. Hij rende naar buiten, schreeuwde "Brand, brand", waarna zijn vrouw en knecht aan kwamen lopen. Hij stuurde zijn knecht om de brandweer te alarmeren.

Alle mannen tussen de 18 en 60 jaar waren verplicht te komen helpen met blussen. Dat wil zeggen: niet allemaal, per gezin hoefde er volgens de laatste brandkeur maar één manspersoon te komen. Dat was om te voorkomen dat de brandweermannen elkaar in de weg zouden lopen.

De brandweercommandant gaf de orders en de brandmeesters zorgden dat de twee brandspuiten op de juiste plek kwamen waar ze èn water konden weghalen uit de sloot achter de schuur, èn dicht genoeg bij de brand konden komen om te kunnen spuiten. Het duurde wel even voordat alle slangen waren aangeschroefd en er water gegeven kon worden. De schuur was niet meer te redden, daarom werden de slangen gericht op het ernaast staande woonhuis. De brandweermannen konden zodoende dat huis behouden.

Burgemeester Vaarzon Morel moest als hoofd van de brandweer een verslag schrijven naar de officier van justitie in Dordrecht. Hij schreef daarin: " Jacob Roos staat bij ons als een zeer oppassend en goed burger bekend. Brandstichting door hem is echt uitgesloten. Trouwens, de eigenaar heeft schuur en inhoud, bestaande uit vlas en lijnzaad, verzekerd voor f 4.500,=, een bedrag dat bij lange na niet voldoende is om de geleden schade volledig te vergoeden."

Ook de commissaris van de koningin werd door Vaarzon Morel ingelicht.

Een maand later, en wel op 29 december 1891, stuurde de burgemeester het volgende Proces Verbaal naar de ambtenaar van het Openbaar Ministerie van het Oud-Beijerlandse kantongerecht:

"Ik heb de eer u in te zenden een proces verbaal we­gens overtreding der verordening "ter blussing van brand en der onmiddelijke verrichtingen na een gebluschten brand d.d. 1 mei 1858" contra Willem Barendregt, geaffecteerde bij spuit nr 1, wegens het niet verschijnen als zodanig bij den brand op den 26 november l.l. bij Jacob Roos. In afschrift gaat hiernevens de publi­catie nr 112 waaraan gemelde Barendregt geen gevolg heeft gegeven. In 1890 is gemelde persoon wegens hetzelfde feit mede veroordeeld."

Het was niet dat Willem Barendregt een hekel had aan Jacob Roos dat hij niet was komen blussen. Het was ook niet dat niet gewaarschuwd was. Hij was op het moment dat de kerkklok begon te luiden in zijn maalderij aan de Langestraat bezig, hemelsbreed een 50 meter bij de kerk vandaan. Hij kon het niet missen!

Hij miste het luiden niet, maar het blussen wel. Hij kon niet anders, want hij werkte samen met zijn zoon op bestelling en had een haastklus die niet uitgesteld kon worden.

Zoals de burgemeester al schreef aan de ambtenaar, was dit een jaar daarvoor ook al voorgekomen. De boete had Willem destijds op de koop toe genomen. Ook nu betaalde Willem zijn boete, maar vroeg wel meteen aan de burgemeester of hij geen ontheffing van zijn taak als brandweerman kon krijgen. De oefeningen op zaterdag namen veel te veel van zijn tijd in beslag en branden kwamen altijd op onvoorspelbare momenten, waardoor hij met de uitoefening van zijn beroep in de knel kwam.

De burgemeester gaf hem de raad voortaan zijn oudste zoon Jan te sturen. Er hoefde immers maar één man per gezin te komen blussen. Maar Willem gaf aan dat hij zijn zoon op zijn bedrijf niet kon missen. Trouwens, hij vond zijn zoon nog veel te jong om al bij de brandweer te zijn. Dat was nog maar een jongen van 15 jaar en zeker niet sterk genoeg om zo'n zware belasting aan de pomp aan te kunnen.

De burgemeester vond dat geen reden, de jongen zou echt niet de jongste zijn die bij brand werd ingezet. Als Willem bij zijn wens bleef kon hij een vervanger aanstellen die in hun plaats zou werken. Die vervanger zou hij dan zelf moeten betalen, maar voor wat hoort wat.

Willem wees dat verontwaardigd van de hand, maar nadat hij er thuis nog eens goed over had nagedacht, besloot hij toch om te gaan zien naar een goede vervanger. De boetes waren zo hoog!

WvV-G

Bron: Brievenboek van burgemeester F.E. Vaarzon Morel.