logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Wapenroof uit smederij tijdens de oorlog

 Terug naar index artikelen

Uit jaargang 7, nr. 3, augustus 2001

In februari 1945 streek een groep Duitse soldaten in de Christelijke school neer. Ze hadden gevochten tegen de geallieerden en kwamen vanuit Strijensas naar 's-Gravendeel om een tijdje tot rust te komen. De bovenverdieping van de school werd als kazerne ingericht. De schoolkinderen konden niet meer op school terecht. De commandant van die groep werd ingekwartierd bij Aart Barth aan de Strijensestraat.

De militairen hadden nogal wat kapotte wapens en omdat één van hen instrumentmaker van beroep was en dus enig verstand had van reparaties, zou hij de wapens nakijken. Naast de school stond de smederij van Quirijns. De Duitsers vorderden diens smidse en gaven geen gehoor aan het tegensputteren van de smid. "Zoveel is er momenteel voor een smid niet te doen", zeiden de Duitsers, "morgen brengen we onze spullen." De volgende dag werd er allemaal materiaal naar binnen gedragen. Het waren machines om mee te werken, maar ook kapotte wapens: revolvers, pistolen, mitrailleurs. Leen Barth, een lid van de ondergrondse, hoorde dat er een kist wapens in de smederij was gebracht. Hij praatte erover met Cor van den Berg, een ander lid van het verzet. Samen bedachten zij een plan om die kist wapens te stelen. Ze zouden eerst aan Marien van der Linden, die knecht van Quirijns was, en pas lid van het verzet was geworden, om hulp vragen.

Leen Barth ging naar Marien toe en vroeg hem: "Zeg Marien, liggen er echt wapens in die werkplaats?" "Ja", gaf Marien ten antwoord. Leen vroeg toen: "Kun jij voor ons niet een paar sleutels van de buiten- en binnendeur van de werkplaats maken? "Natuurlijk", zei Marien, "Wanneer wil je ze hebben?" Leen zei: "Zo snel je kunt". Marien ging aan de slag om de sleutels na te maken en bracht ze daarna bij Leen Barth. Leen onderzocht eerst goed hoe de beveiliging was geregeld. Het bleek dat er een schildwacht was uitgezet die de school, de soldaten en de wapenwerkplaats moest bewaken. Hij maakte steeds dezelfde ronde: Langestraat, Rijkestraat, Achterdijk, Langestraat. Dat was prettig te weten, want als de wachtpost altijd hetzelfde rondje maakte, konden ze uitrekenen hoe lang hij erover deed en hoeveel tijd ze dan hadden om de wapens te stelen. Leen en Cor namen contact op met andere mannen van het verzet en Pleun Sint Nicolaas, Kees Brouwer, Arien van Heesen en Wim Baars wilden ook van de partij zijn. De diefstal van de wapens zou op een donkere avond of nacht moeten gebeuren.

Niet lang daarna was het nieuwe maan, dus heel donker. Lantarens brandden nergens. Dit was een uitgelezen moment om te gaan inbreken. Ze gingen met z'n allen naar het huis van Pleun Sint Nicolaas aan de Achterdijk. Ze wachtten daar tot het donker werd. Diverse malen zagen ze de Duitse schildwacht voorbijgaan. Toen het helemaal donker was, wachtten ze tot de schildwacht langs de smidse van Sint Nicolaas was gelopen en de hoek omgegaan naar de Langestraat. Op dat moment renden de mannen de straat over naar het slop tegenover Sint Nicolaas. Daar bleven Cor en Wim, gewapend met een stengun, liggen om de wacht te houden. De andere mannen klommen over een schutting en openden de deur aan de achterkant van de smederij. Ze gingen naar binnen en zochten de kist met revolvers. Ze lichtten zich bij met een knijpkat, maar vonden nergens een kist die aan de beschrijving voldeed. Wel werd een aantal geweren aangetroffen dat daar lag om gerepareerd te worden. De mannen besloten om die wapens mee te nemen. Ze gingen dezelfde weg terug, wachtten tot Cor en Wim het sein veilig hadden gegeven om de Achterdijk over te steken en gingen daarna het ouderlijk huis van Pleun Sint Nicolaas binnen. Daar bekeken ze de wapens. Ze waren kapot, maar wellicht te repareren. De mannen waren moe, ze konden nog niet naar huis en gingen daarom maar in de kamer op de grond liggen om nog wat te slapen tot het licht zou worden.

De volgende morgen vroeg deden ze de wapens in jute zakken en gingen ermee door het Schenkeltje naar de Bevershoek, waar D. den Hartog, een veehouder, woonde, die bij de illegaliteit was aangesloten. De mannen verstopten de wapens bij hem in het stro. Daarna gingen ze naar huis. Enkelen, onder wie Cor, Arie en Kees, gingen via de Boven Havendijk. Daar woonde Anton Overhoff, het hoofd van de ondergrondse, aan wie ze vertelden wat de opbrengst was van de inbraak. De volgende dag ging Marien van der Linden gewoon om zeven uur naar zijn werk. Er liepen een heleboel Duitse soldaten rond de smederij en op het schoolplein. Marien liep de smederij binnen en zag daar zijn baas huilend staan tegenover vier Duitse officieren. "Ik weet niet hoe de dieven binnen zijn gekomen", riep Quirijn uit, "ik heb zelf de deuren op slot gedaan, ik snap er niks van". "Je bent een handlanger van de dieven", zei een Duitse officier. "Misschien heeft Marien de sleutels weggegeven" zei Quirijns.

"Geef je sleutels aan mij", zei een Duits officier tegen Marien. "Man, ik heb geen sleutels", zei Marien. De officier gaf Marien zo'n harde klap dat deze onder de draaibank viel. Marien werd beetgegrepen en de werkplaats binnen gegooid. De deur ging achter hem dicht, op slot, en er werd een schildwacht voor gezet.Marien voelde overal pijn en wist niet anders te doen dan maar afwachten. Hij moest heel lang wachten. Hij ging maar op de grond zitten. Toen hij urenlang had gewacht, bonsde hij op de deur. De schildwacht vroeg: "Wat moet je". "Ik moet plassen", zei Marien. "Wachten", zei de schildwacht. Hij durfde zelf geen toestemming te geven om Marien naar de wc te laten gaan en ging het eerst aan zijn officier vragen. Het mocht. Marien ging naar de wc en de soldaat liep achter hem aan en prikte met zijn bajonet in zijn rug. Terwijl Marien plaste, bleef de soldaat met het geweer op hem gericht achter hem staan. Toen Marien geplast had, moest hij terug naar de werkplaats die achter hem weer op slot ging.

Aan het eind van de ochtend kwamen vier SS-ers en Grüne Polizei met een auto uit Dordrecht om de diefstal te onderzoeken. De deur ging van het slot en Marien mocht uit de werkplaats komen. "Je persoonsbewijs" hoorde hij zeggen. Hij gaf zijn papieren af en moest daarna terug, de werkplaats in. De auto met de Duitsers vertrok en reed naar de Nieuwstraat, naar het adres dat op het persoonsbewijs stond: Nieuwstraat 3. Marien woonde daar niet meer, want hij was pas getrouwd en woonde met zijn vrouw aan de Beneden Gorsdijk. In de Nieuwstraat woonden de ouders van Marien. Die snapten helemaal niet wat die Duitsers kwamen doen, alleen maar dat ze vanwege Marien kwamen. "Marien woont hier niet", zeiden ze.

De Duitsers waren woedend en reden terug naar de Langestraat. Ze waren furieus op Marien, die eerst helemaal niet begreep waarom ze zo kwaad waren. Hij werd geslagen en geschopt en pas toen hij begreep dat ze op het verkeerde adres waren geweest, kon hij vertellen waar hij tegenwoordig woonde. Daarna gingen ze naar de Beneden Gorsdijk. Daar deed Mariens vrouw Anna nietsvermoedend de deur open. De Duitsers duwden haar opzij en begonnen het hele huis overhoop te halen. "Waar was je man vannacht?" vroegen ze haar. "Gewoon hier", zei ze. "Niet liegen, waar was je man vannacht", zeiden ze. "Hier", gaf Anna ten antwoord, "hij heeft geslapen, kijk maar, de put zit nog in het kussen". Ze doorzochten het hele huis en ze vonden een doosje waar een afbeelding van koningin Wilhelmina op stond. Dat namen ze mee. Ze namen bovendien de fiets van Marien mee.

's Middags kwamen Hollandse SS-ers met de Duitsers mee. Ze bedreigden Marien: "Als wij morgen de wapens niet terug hebben, word je gefusilleerd en niet alleen jij, er zullen meer mensen doodgeschoten worden". De commandant van de Duitse militairen was zo woedend over de diefstal, dat hij dreigde de hele gemeenschap van 's-Gravendeel te laten boeten. Als de wapens niet zouden terugkomen zouden er een man of zes onschuldigen gefusilleerd worden. De inbrekers hoorden ervan en schrokken. Eigenlijk vonden ze die kapotte wapens niet tegen de levens van onschuldigen opwegen. Ze gingen naar hun commandant, Anton Overhoff, om met hem te overleggen. Samen besloten ze om de wapens terug te geven. Maar hoe moest dat? Als ze de geweren naar de smidse zouden brengen, dat zou teveel opvallen. Dan zouden de Duitsers hen zien en hen gevangen nemen. Ze bedachten een andere oplossing.

Toen het weer donker begon te worden fietsten Cor, Arie, Leen, Kees en Anton eerst naar Den Hartog aan de Bevershoek om de gestolen wapens op te halen. Met die wapens in jute zakken verborgen op de bagagedragers, fietsten ze naar de Strijensestraat. Ze gingen in de richting van het garagebedrijf van Aart Barth, waar de Duitse militaire commandant was ingekwartierd. Anton bleef bovenop de Strijensedijk staan, gewapend. De ander vier gingen naar het huis van Aart Barth aan de Strijensestraat (nu Frisostraat) en zetten de jute zakken tegen de muur van het huis. Een van hen belde aan en een ander duwde een brief door de bus. In die brief stond: "Hier zijn de wapens, laat geen onschuldigen boeten." Daarna maakten de mannen dat ze weg kwamen. Marien werd de volgende morgen vrijgelaten. Hij werd door de Duitsers op zijn weg naar huis goed in de gaten gehouden. Ze dachten misschien dat hij naar de ondergrondse ging. Hij ging echter gewoon naar huis. De commandant heeft er verder geen werk van gemaakt. Wel zorgde hij ervoor dat er niet opnieuw een inbraak kon plaats vinden. Hij zette een dubbele wachtpost uit.

WvV-G

Bronnen: Het verzet in de Hoeksche Waard door Simon S. Brand; interviews diverse personen.