logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Woningnood na de Tweede Wereldoorlog

Terug naar index artikelen

Uit jaargang 12, nr. 4, november 2006

Na de oorlog heerste er woningnood in ons land en dus ook in 's-Gravendeel. Er mocht maar mondjesmaat gebouwd worden, omdat er in het hele land tekorten waren aan bouwmaterialen. Het rijk stelde een bouwvolume vast per gemeente en daarmee was het aantal te bouwen woningen vastgesteld. Het contingent te bouwen woningen was bij lange na niet toereikend voor de vele woningzoekenden.

In 's-Gravendeel wilden de mensen hun leven weer oppakken. Paren die hun huwelijk hadden uitgesteld in verband met de onzekere tijden, maakten nu plannen. Daar hoorde huisvesting bij.

De nood was hoog. Er werd zelfs overgegaan tot verhuur van de voormalige ziekenbarak Gorsdijk 13 aan P.J. Hartog.

Het gemeentebestuur wist niet beter dan de eigenaren van grotere huizen te verplichten om hun woningen te splitsen, zodat er anderen in ondergebracht konden worden.

Een woonruimtecommissie werd ingesteld om alle woningzoekenden een woning te verschaffen, hetzij in een gesplitste woning of via inwoning bij anderen.

Wie trouwde, ging inwonen bij eigen ouders of schoonouders, maar had daarvoor wel toestemming nodig van burgemeester en wethouders.

Iedereen die bij zijn aanstaande schoonouders wilde intrekken moest daartoe een aanvraag indienen. De commissie ging dan het huis van de schoonouders bekijken op grootte en de aanwezige mogelijkheden om er met twee gezinnen te wonen. Dan kwam het advies. Mocht er woningsplitsing plaats vinden of niet?

Dat kon positief uitvallen en negatief. Er waren gezinnen in de Achterdijk die geen toestemming kregen een schoonzoon of –dochter in huis te nemen, omdat er maar één wc was, die ook door de achter- of voorburen gebruikt werd. Met de komst van een schoonzoon moesten er drie gezinnen van die ene wc gebruik maken en dat was volgens de woonverordening verboden.

Woonruimtewet

Mej. K.D. Zwart, Rotterdam

Zij vraagt inwoning met 3 kinderen bij P. Saarloos, Achterdijk 6a.

Wordt afgewezen op grond van ongeschikte woonruimte.

En hoe er ook gesoebat werd om soepeler om te gaan met de voorschriften: “Eén persoon erbij, wat maakt dat in wezen uit,” werd er gezegd, het college ging niet overstag. Zo waren de regels en die mochten niet overschreden worden.

“Je zoon en zijn vrouw komen op de lijst,” was het dan. Dat gaf ergernis.

Iedere woningzoekende werd op de lijst geplaatst. Zodra een woning vrij kwam, kwam de commissie in actie en vergaderde over de toewijzing van de woning aan iemand op de lijst, over de urgentie van bepaalde “gevallen”.

Eigenaren van woningen hadden opeens geen inspraak meer in wie ze in hun woning lieten wonen. Dat was een hard gelag voor de eigenaren. Die zagen het liefst een bekende in de woning, een familielid of iemand van wie verwacht werd dat hij wat noodzakelijke kleine karweitjes aan de woning zou doen. Nu was het maar afwachten wie er door de commissie als nieuwe bewoner werd aangewezen. Dat kon wel heel erg tegenvallen.

De secretaris van de woonruimtecommissie was gemeentesecretaris J. van der Linden. Hij bracht alle informatie uit de commissie in de vergadering van B en W, waarop de leden van het college het besluit namen om de aanbeveling van de commissie te volgen, of een eigen standpunt in te nemen. Daarna kreeg J. van der Linden opdracht de woningzoekenden aan te schrijven en hun de beslissing van het college mede te delen. Menig woningzoekende zag hem als “de kwade genus” als een beoogde woning aan een ander werd toegewezen.

De commissie keek niet naar belangen van anderen, slechts van de woningzoekenden, naar hun urgentie en hun mogelijkheid om een bepaalde huurprijs te kunnen betalen.

Toen Jilles Arbacht met zijn vrouw na zes jaar inwonen – op zolder - bij zijn ouders aan de Strijensedijk, een woning aan de Beneden Havendijk 4 werd aangeboden, was hij aanvankelijk heel blij een eigen stek te krijgen. Maar samen met zijn vrouw ging hij het huis bekijken en zag hoe vochtig dit dijkhuis was. Hij overlegde met zijn vrouw en besloot het huis af te wijzen, omdat hij zijn reumatische vrouw niet aan zo'n vochtig huis kon blootstellen. Liever wachtte hij nog een paar jaar tot er een andere woning beschikbaar zou komen.

Het leek af en toe willekeur zoals de woningcommissie adviseerde aan burgemeester en wethouders. Door het college werd bijna altijd het advies opgevolgd.

Rijkere mensen kochten een bestaand huis voor hun trouwlustige zoon of dochter. Ze meenden daarmee vanzelf alle moeilijkheden van toewijzing van woonruimte te kunnen omzeilen. De woonruimtecommissie had echter de lijst met “gevallen” die dringend een woning moesten hebben en als de nieuwe eigenaren van het huis toestemming vroegen om in hun pas aangeschafte woning te trekken, kregen ze te horen: “Dit huis wordt toegewezen aan die en die.”

Dat gaf ergernis. Je had een woning voor je zoon gekocht, omdat je zoon wilde trouwen, maar hij mocht er niet wonen. Het zette nog meer kwaad bloed als, in plaats van de zoon, een ambtenaar toestemming kreeg in dat huis te gaan wonen. Als er een ambtenaar op het dorp kwam wonen, moest hij voorrang krijgen bij de woningtoewijzing.

A.B. de Jong kreeg geen toestemming te gaan wonen in een huis dat zijn moeder bezat. Daar werd een ambtenaar in gezet. De Jong mocht naderhand met zijn bruid naar het Spui (Kilweg), toen daar een woning vrij kwam, want dat huis kon vanwege de afstand niet aan zo maar iemand van de lijst worden toegewezen. Hijzelf kon de afstand wel met een brommertje overbruggen.

's-Gravendelers die wat beter in hun slappe was zaten, kochten een perceel grond, met het doel daarop een huis te laten bouwen voor hun trouwlustige zoons of dochters. Met de bouwtekening gingen ze naar de gemeente. Ondanks dat zij beloofden zelf voor al het nodige (dakpannen, stenen, hout, cement) voor het nieuwe huis te zorgen, kregen zij geen toestemming. Er was geen bouwvolume voor.

Soms meende men een oplossing gevonden te hebben in woningruil. Helaas werd ook de ruil beoordeeld door de woonruimtecommissie, die onbevooroordeeld keek naar ruimte, aantal privaten en mogelijkheid tot woningsplitsing, waardoor menigmaal een negatief advies werd gegeven.

Voor het hoofd van de openbare school, de heer Rijckborst, was geen woning in 's-Gravendeel beschikbaar. Het schoolhuis was postkantoor geworden na het vertrek van zijn voorganger en voor hem was in het hele dorp geen geschikte woning te vinden. In 1952 werd hem de woning Groene Kruisstraat 53 aangeboden. Hij nam het aanbod niet aan. Hij vond dat huis niet geschikt.

In de vergadering van B en W werd over zijn huisvesting gesproken en besloten maar op kosten van de gemeente een nieuw huis te laten bouwen. Dat moest dan wel van het bouwvolume af. Het navolgende werd genotuleerd:

Bouw woning hoofd school, raming voorlopig f 16.000

Rijkspremie f 4.500.

Indien de heer Rijckborst schriftelijk bevestigt een huur van f 550 per jaar te zullen betalen, zal de raad worden voorgesteld tot de bouw van een woning te besluiten.

Ontwerp woning voor de heer Rijckborst. Inhoud ± 400 m³. Raming minstens f 18.000.

Te duur. Moet tussen 16 en 17.000 gulden liggen.

Nader bezien.

Na de watersnood werd de woningnood nog nijpender. Maar nu kwam er in ieder geval een lichtpuntje: er werd door het rijk toestemming gegeven tot de bouw van een groot contingent woningen.

Wat had de woonruimtecommissie het druk! Elk huis dat zou worden verlaten, kon weer woningzoekenden bergen.

Een krot dat werd opgeruimd, mocht worden vervangen. Daarvoor kwam contingent. Het gemeentebestuur ging het dorp in om alle krotten te noteren. Die konden nu met voorrang worden opgeruimd. Zo kwamen er huizen aan de Gorsdijk en de Molendijk leeg te staan.

Het waren slechte huizen, soms met gaten in de muren, maar er waren woningzoekenden die zo smachtten naar een eigen huis, dat zij er –ongevraagd - introkken. Zo had de gemeente de woning Molendijk 27 opgekocht. Dit was na de ramp een krot geworden, zo werd geoordeeld, en moest worden afgebroken. Op diezelfde plaats mocht geen ander huis worden neergezet: dijken mochten niet meer nieuw bebouwd worden. De woning was echter volgens sommigen nog wel bewoonbaar en daarom kwamen er aanvragen binnen van woningzoekenden om daar tijdelijk hun intrek te mogen nemen. Niemand kreeg toestemming.

Tenslotte besloot A. Heijden uit Maasdam dan maar zonder toestemming in dat huis te gaan. Burgemeester en wethouders spraken erover en besloten de intrek in het “kraakpand” te gedogen. Maar, uiterlijk 15 november 1953 moest de woning ontruimd zijn.

A. Heijden Molendijk 27

Vraagt in die woning te mogen blijven wonen zolang dit mogelijk is.

Door de vingers zien.

De eigenaren kregen iets meer in te brengen, dat wil zeggen, ze mochten hun voorkeur voor een bewoner uitspreken, maar dat wilde niet altijd zeggen dat de commissie die wens ook honoreerde. Die keek of de kandidaat op de lijst stond en zo niet, dan kwam hij niet in aanmerking.

Toen de nieuwe huizen in de Nest en in Schenkeldijk bevolkt werden, werd de lijst met woningzoekenden wat korter.

In navolging van Dordrecht werd besloten dat een eigenaar voortaan uit drie kandidaten voor zijn woning mocht kiezen.

De gemeentesecretaris, J. van der Linden, had inmiddels heel wat boze gezichten om zich heen gezien. Per 16 mei 1955 verzocht hij om ontslag uit de woonruimtecommissie. Zijn plaats als secretaris van de commissie werd ingenomen door C. Brand, Smidsweg 12.

Burgemeester Verplanke zorgde voor een ontwerpverordening, die de samenstelling, bevoegdheid en werkkring van de commissie van advies woonruimtewet regelde. De commissie zou voortaan bestaan uit een vertegenwoordiger uit elk der sectoren: huurders, huiseigenaren, hypotheekhouders, vakbeweging en agrarische sector. De commissie was nog steeds niet beslissingsbevoegd. B en W namen de besluiten.

De leden van het college zaten niet altijd op één lijn. Soms kon wethouder C. van der Linden het voor zijn achterban niet maken een bepaalde keuze te maken, een andere keer was wethouder W. de Zeeuw het, die tegenstemde. De tegenstemmers waren bijna altijd in de minderheid.

Het heeft nog tot eind jaren zestig geduurd voordat de woningnood echt voorbij was.

WvV-G

Bronnen: Notulen van B en W; Nieuwsblad gewijd aan de belangen van de Hoeksche Waard; interviews J. Arbacht en A.B. de Jong.